Eergisteren hield een bonte verzameling van enkele honderden Serviers en sympathisanten een demonstratie op het Schumanplein in Brussel. Het aanstromende volk liep vanuit het metrostation veelal de verkeerde kant op. “Anti-Kosovo? To the right!”, breedgeschouderde Brusselse dienders wezen iedereen de weg.
“Vandaag is het Kosovo, maar morgen Baskenland, Vlaanderen, Zuid-Tirol of Ossetie”. Een knappe jongedame gaf een speech in het Servisch, en vertaalde fragmenten naar het Engels. Een bloemenbak fungeerde als podium, en haar mantelpak stak voor de camera’s goed af tegen de wapperende Servische driekleur.
Plots staat er een Belg op de bloembak. Hij geeft een bulderende speech en maakt indruk op de menigte, zelfs al verstaat meer dan de helft hem niet.

“Ik kom uit een land met 175 jaar traditie in het samenleven van verschillende culturen, talen en gemeenschappen, met respect voor hun tradities en de soevreniteit van de Belgische staat. Honderd jaar geleden woonden er twee proent Albanezen in Kosovo. Honderd jaar geleden woonden er geen Franstaligen in de Brusselse rand. Maar nu is Kosovo van de Albanezen. Mag ik morgen verwachten dat de Vlamingen Brussel en de Vlaamse rand opgeven?”
Het publiek juigt bij zijn laatste woorden, die hij speciaal naar het Servisch heeft vertaald. “Ik ben Alain Schellekens. Ik ben Vlaming, Belg, Europeaan en vanaf vandaag Servier”.
“Ik hou van Belgie en haar structuur”, zegt hij. Hij is vooral bezorgd om het precedent dat met het statuut van Kosovo wordt geschapen. “Het was misschien wel nodig, maar het was veel te vroeg”, legt hij uit. “Ik hoop dat het niet leidt tot enig conflict”.
Ergens in de menigte staat een ander groepje Belgische mannen. Ze dragen kisten, bomberjacks en kijken nerveus. Ze vinden de Slaven ‘een broedervolk’ en willen dat de ‘Joodse samenzwering’ in Europa een halt wordt toegeroepen. “De lijn Washington, Brussel, Tel-Aviv moet worden vervangen door Parijs, Berlijn, Moskou”, zegt hun leider mij uit. Terwijl ik met hem praat komen anderen regelmatig polshoogte nemen.
Een oude vrouw schiet mij aan. “Ik moet u aan iemand voorstellen”, zegt ze in gebroken Frans. “Dit is mijn kleindochter”, roept ze, en wijst naar een verlegen meisje van 18.
“Je zou toch niet willen dat ze met zo’n kerel thuiskomt?”, vraagt ze me.
“Wat voor kerel?”, vraag ik
“Nou zo’n Albanees. Er zijn gewoon te grote verschillen. Wij drinken bijvoorbeeld koffie in Servie”.
“En in Kosovo niet?”, vraag ik
“Ik ga het niet zeggen, anders denkt u dat ik een rascist ben”. Daarna houdt ze resoluut haar mond. Wanneer ik wegloop fluistert ze nog. “Ik zeg niets meer, maar u moet maar eens goed naar mijn kleindochter kijken”.
Plots ontstaat er tumult. Een kleine groep mannen wil een Amerikaanse vlag in brand steken. Het gebeurt niet. “Wij zijn fatsoenlijke mensen”, roept iemand.
Kinderen rennen in de rondte met vlaggen en borden. Een paar oude vrouwen dragen een icoon. Potige mannen drinken blikken bier. Het heeft iets van een familiefeest. Er is niets te vieren, maar toch is iedereen weer even bij elkaar.