Joris en de 18e-eeuwse zedenroman

Twee maanden geleden kwam ‘Het Maakbare Nieuws’ uit. Een boek als antwoord op de mediastorm die Joris Luyendijk deed opwaaien. De Nieuwe Reporter schoof in een Haags café aan bij Coen van Zwol, één van de buitenlandcorrespondenten die een bijdrage leverde. Over verschillende soorten journalisten, het ‘duh!’-gevoel en rookgordijnen.

‘Er zijn twee soorten journalisten’, denkt van Zwol. ‘Mensen die het als hun roeping zien en hun hele leven aan de journalistiek verbonden blijven, en zij die het tijdelijk oppakken tot ze er op uitgekeken zijn.’ Van Zwol zelf is duidelijk het eerste type journalist. Hij begon in 1992 bij de stadsredactie van NRC Handelsblad, schreef van 1994 tot 1999 veel over de Balkan en werkte van 2000 tot 2007 als correspondent in Moskou. Inmiddels zit hij alweer een jaar op de Haagse redactie en binnenkort gaat hij bij zijn krant als filmcriticus verder.

‘Joris Luyendijk is meer dat tweede type journalist. Iemand die de journalistiek als uitdaging ziet en later andere dingen gaat doen. Boeken schrijven, of radio- en televisiemaken bijvoorbeeld. Mijn voorganger in Moskou, Frank Westerman, was ook zo. Of denk aan Geert Mak. Sommige mensen passen nu eenmaal niet in een groepsgeest, of functioneren slecht binnen een redactie.’

‘Joris was onervaren toen hij begon, maar niet zo naïef als hij zich voordoet’, weet van Zwol. ‘Hij is in zijn tijd iets te dicht bij een bomaanslag geweest. Dat komt in zijn boek niet terug. Hij gebruikt het procedé van een achttiende-eeuwse zedenroman. Dorpsmeisje komt in de grote stad, verliest haar onschuld en voor je het weet staat ze in een bordeel.’

Duh!
Bovendien waren het wat Coen van Zwol betreft veel open deuren, die inzichten van Joris Luyendijk. ‘Allemaal ‘duh!’-momenten. Natuurlijk is de pers niet neutraal. Natuurlijk speelt men kluitjesvoetbal en natuurlijk ben je als journalist niet slechts waarnemer, maar zelf ook onderdeel van de informatieoorlog. Duh!’

De macht van de persbureaus bijvoorbeeld ‘Duh! Natuurlijk zijn die sneller en komen die met nieuws dat je als gewone correspondent niet bij kan benen. Maar ze schudden je wel wakker. En gelukkig hoef je als correspondent niet zelf achter alle kleine nieuwsfeitjes aan.’

‘Of dat de taal niet neutraal is en de één z’n terrorist de ander z’n vrijheidsstrijder is. Nogal wiedes! Zulke dingen zijn met de pen op te lossen’, weet Van Zwol. ‘Ik noemde de Tsjetsjeen Sjamil Basajev eerst een ‘rebellenleider’. Na de gijzeling in Nord-Ost en de tragedie in Beslan ben ik hem een terrorist gaan noemen. Hij schepte er nota bene zelf over op. Zulke taalkwesties kun je bovendien met een redactie makkelijk oplossen.’

Ook het kluitjesvoetbal valt volgens Van Zwol wel te nuanceren. ‘Toen ik voor het eerst in Sarajevo aankwam zat iedereen in het Holiday Inn. En natuurlijk speelt men elkaar verhalen door. ‘Ben je nieuw hier? Je moet daar eens gaan kijken!’. Maar wat moet je anders? Gewoon in je auto stappen en een paar rondjes maken?’

Rookgordijn Rusland
Informatie in Rusland is soms net zo onbetrouwbaar, ondoorzichtig en ingewikkeld als in het Midden-Oosten. Overal staan belangen op het spel.

‘Je kunt weinig met absolute zekerheid zeggen’, aldus Van Zwol. ‘Denk aan die serie flats die in 1999 werden opgeblazen. Het gaf de directe aanleiding tot de tweede Tsjetsjeense oorlog. Dat kwam het regime wel heel goed uit. In de stad Rjazan was er zo ongeveer een ontmaskering. Flatbewoners zagen twee mannen in een auto met een kenteken uit Moskou allerlei verdachte spullen een kelder inladen. Toen de politie arriveerde bleken het explosieven. Al snel was een terroristische aanslag verijdeld. Het hele land was in rep en roer, maar het bleek dat er iets anders aan de hand was. De getapte telefoongesprekken van de twee mannen liepen rechtstreeks naar het hoofdkwartier van de FSB.’

‘Een smoking gun, maar geen keihard bewijs. Als journalist heb je meestal niet meer te bieden dan waarschijnlijkheid. Dat is een kwestie van puzzelen. Denk ook aan de affaire Erkel. Wie zat er achter zijn kidnapping? Waarom? Hoe is hij vrijgekomen? We weten het nog steeds niet. Maar dat betekent nog niet dat je geen journalistiek kunt bedrijven.’

‘Joris Luyendijk heeft geen ongelijk, ik kan alleen zijn conclusies niet delen’, legt Van Zwol uit. ‘Journalisten maken fouten en dus kunnen we er maar beter mee ophouden? Er gaat ook een hoop fout in de gezondheidszorg, maar we sluiten toch ook geen ziekenhuizen?’

‘In de eerste plaats zijn er altijd feiten te vinden. Denk bijvoorbeeld aan het schimmige geroddel over de opvolging van president Poetin. Niemand wist het. Maar uiteindelijk zit er toch iemand op de troon, daar kun je niet om heen. In de tweede plaats, het rookgordijn rondom Arjan Erkel zegt veel meer over Rusland dan een eventuele ontknoping.’

Blog als bijsluiter
Luyendijk geeft in zijn boek een aantal suggesties mee. Een journalist zou bijvoorbeeld tegen het eind van het jaar alle blunders en fouten voor de lezer op een rijtje kunnen zetten. Een ideetje dat oorspronkelijk afkomstig was van Van Zwol. ‘Helaas willen ze daar bij de krant niet aan, maar dat zou toch leuk zijn? Een jaarlijkse afrekening, dat zou je geloofwaardigheid ten goede komen.’

‘Beter nog kun je een weblog bijhouden’, weet van Zwol inmiddels. ‘Daar is ruimte voor het verhaal bij het verhaal, de voetnoten, de moeilijkheden en de fouten.’