Mijn vriend Sergej, de minigarch
Ik vroeg me nog waarom die knalrode BMW zo pontificaal bij mij voor de deur stond. Het was ergens in de zomer van 2007 en ik vierde mijn verjaardag. Mijn Russische vrienden hebben de goede gewoonte hun eigen vrienden en kenissen mee te nemen naar feestjes. Zo was ik het hele jaar door op verjaardagen van anderen en nu stonden er dus zo’n 80 feestgangers in mijn huis, waaronder de eigenaar van de auto.
Sergej was een sympathieke jongeman. Het sprak vloeiend Engels en Frans, had veel goede connecties binnen het Kremlin en was ““ zo fluisterde men ““ schatrijk. We raakten goed bevriend. Zijn vader was eigenaar van een gasbedrijf dat zaken deed met Gazprom. Sergej was, ondanks zijn 22 jaren, onderdirecteur. Jong, gehaaid en rijk. We noemden hem ‘de mini-garch’, hij was hard op weg een serieuze oligarch te worden. In zijn rode BMW reden we die zomer van het ene luxe tuinfeest naar het andere. Er werden vaten champagne overgevlogen. Ik zag bekende Amerikaanse popartiesten optreden bij kinderfeestjes. Het woord ‘crisis’ kwam uit de jaren ‘90, op deze feestjes zag niemand een vuiltje aan de lucht.
Behalve Sergej. ,,Dit gaat niet lang meer duren”, zei hij vaak. ,,Iedereen is ergens bang voor, daarom geven ze nu alvast zoveel mogenlijk geld uit.” Voor hem viel het doek al een paar maanden later. Zijn vader viel uit de gratie bij het Kremlin, het huwelijk van zijn ouders liep stuk en Sergej zat plots zonder geld. Zoals de meeste Russen had hij geen cent spaargeld. Sergej trok een paar weken bij mij in. We reden nog altijd in de rode BMW, alleen had Sergej geen geld meer voor benzine. Die betaalde ik dus maar. Een maand later had de credit-cardmaatschappij beslag laten leggen op de auto. Sergej was ondergedoken.
Hij was niet alleen op de vlucht voor zijn schuldeisers, vooral voor het Ministerie van Defensie moest hij zich verstoppen. Omdat hij nooit de universiteit had afgemaakt moest hij alsnog in dienst. Dat is, zeker voor een gevoelige jongen met een zwak voor maatpakken en kaviaar, geen pretje. Hij trok zich terug in een klein dorpje buiten Moskou en begon aan wat hij noemde ‘de terugtocht’. ,,Ik heb een half jaar nodig, dan ben ik er wel weer.” Hij kocht met geleend geld partijen CD-roms uit China, handelde in olie, deed zaken in de persoonsbeveiliging en kocht het patent op een anti-tankwapen uit Duitsland.
Het duurde ruim een jaar tot Sergej weer van zich liet horen. Hij was broodmager en had zijn jeugdige blik verloren. Hij liet me trots zijn paspoort zien. Niet alleen was hij afgekeurd voor dienst in het leger, ook had hij een verblijfsvergunning voor Frankrijk weten te bemachtigen. ,,Dat heeft me een vermogen gekost, dat begrijp je.”
We spraken nog eens af in Parijs en sindsdien heb ik weinig van hem vernomen. Tot een paar weken geleden. Hij was in Nice, en hij vond het er fantastisch. ,,De restaurants zijn hier goedkoper dan in Moskou! Dat geloof je toch niet?” Het is waar. Wie vijftig euro te besteden heeft komt in een goed restaurant in Moskou niet veel verder dan een voorgerecht. ,,En die Europeanen zijn behalve rijk ook nog eens gelukkig.” Hij legde het uit. ,,De mensen hier maken zich nergens zorgen om. Ze werken niet eens! Wie rijk is in Rusland heeft altijd maar kopzorgen, je bent de hele dag bezig dat geld niet kwijt te raken. Hier heeft men het gewoon.” Ik moest er om lachen, vooral omdat het waar is. ,,Wanneer kom je terug?”, vroeg ik. ,,Daarom bel ik”, zei Sergej. ,,Ik heb even geen geld meer. Zou je een vlucht naar Moskou voor me kunnen boeken?”

