Een iPad – is ‘t wat?

Wat uitgevers zoal met de iPad kunnen, weten we inmiddels wel. Van een gratis Telegraaf-applicatie tot een Bright-magazine voor 9 euro, de mogelijkheden voor vindingrijke media zijn eindeloos. Of tenminste, tot waar Apple de grenzen stelt. Maar wat heb je er als journalist aan? Een uitpakparty, recensie, handleiding en veldtest in één.

In Brussel waren ze vorige maand al uitverkocht. Om toch nog een iPad te kunnen bemachtigen, moest ik naar een afgelegen witgoedwinkel in een buitenwijk van de stad. De teleurstelling is groot wanneer je ‘m al in de tram uitpakt. Je nieuwe aluminium snufje werkt niet zolang je hem niet aan een computer kunt koppelen. Evengoed heb je er een iTunes-account voor nodig. Ter compensatie krijg je van Apple de gratis app iBooks, inclusief een volledig exemplaar van Winnie the Pooh. Dat daargelaten, wanneer er eenmaal een SIM-kaart in zit of er een wifi-verbinding binnen handbereik is, werkt het ding als een wonderscherm. Waar ‘internet’ vroeger iets was waarvoor je moest gaan zitten, heb je het nu in je hand. Niet op een klein scherm, in grote letters of in tenenkrommend tempo op een telefoon, maar alsof je van een A4?tje leest. Een loodzwaar A4?tje, dat dan weer wel.

Het duurt een uur of wat, maar dan heb je de iPad geprogrammeerd zoals het moet. Apple Mail leest de laatste vijftig e-mail berichten van allerlei verschillende accounts, en is bijzonder handig om ‘on the road’ e-mail te lezen en vlugge antwoorden te sturen. De ‘Calendar’ valt gemakkelijk te synchroniseren met andere agenda’s, en de browser, Google Maps-toepassing en YouTube-app werken bijzonder intuïtief. Veel van de programma’s die je online gebruikt (Gmail, Twitter) werken even goed op de iPad. Toch kom je er ook direct achter dat de aankoop ter waarde van 500, 600 of 700 euro verre van compleet is. Je hebt een breed spectrum aan apps nodig om alles er uit te halen. Credit-card in de aanslag? Let’s go!

Apps

De ratelende telexen van Reuters en AP zijn handig, al bieden ze maar een minieme selectie van wat er beschikbaar is. Thompson Reuters News Pro (gratis) geeft behalve nieuws ook actuele koers- en valuta-informatie. De vormgeving van de AP-app (ook gratis) springt er tussenuit. Hij is tegelijkertijd vrolijk en onhandig.

WordPress (gratis) – Een blogpost online zetten vanuit de ingebouwde Safari-browser is niet gemakkelijk, maar het kan. WordPress, de motor achter vele blogs en websites, heeft een toepassing die helpt. De mogelijkheden zijn beperkt, maar met een paar vingerbewegingen staat er een nieuw bericht op de hoofdpagina.

Amazon Kindle (gratis) – Wie z’n woonadres verplaatst naar een motel in California, heeft plots toegang tot de complete Kindle-bibliotheek. Eindelijk!

Things for iPad (15,99 euro) – Geen journalist is compleet zonder een lijst met af te werken plannen, verhalen, ideeën en projecten. Er is allerlei software beschikbaar die orde in de chaos belooft te scheppen, maar Things werkt als een trein.

Dropbox (gratis) – Wat tegenvalt: je kunt niet zomaar stapels met documenten naar de iPad overslepen. Hotelbevestigingen, plattegrondjes, hele folders met PDF-bestanden, met Dropbox zijn ze plots wel beschikbaar op de iPad. Wie het programma installeert op de ‘thuiscomputer’ krijgt een folder waarin alle bestanden zowel online als op de iPad beschikbaar gemaakt worden.

Evernote (gratis) – Werkt anders, maar volgt hetzelfde principe van Dropbox. Evernote zet alle documenten, foto’s, lappen tekst of snippers van quotes overzichtelijk bij elkaar.

Het wemelt van de iPad-toepassingen om aantekeningen en notities te maken. In de meeste gevallen zijn ze weinig beter dan de ingebouwde ‘Notes’. Maar SoundNote (gratis) is een prachtige toepassing, het programma neemt geluid op terwijl je aantekeningen maakt. Handig voor persconferenties, maar ga er niet van uit dat je de opnames later op de radio kunt gebruiken.

Portfolio To Go (2,39 euro) maakt van een Flickr-account een slideshow, die desgewenst ook offline te bekijken is. Handig voor wie niet opnieuw al zijn foto’s naar een ander apparaat wil slepen, en toch familie en vrienden vakantiefoto’s wil laten zien.

Wie uiteindelijk toch met een laptop en een iPad op stap gaat, doet er goed aan Airdisplay (7,99 euro) aan te schaffen. Via de beschikbare wifi-verbinding zorgt de toepassing ervoor dat de iPad een tweede beeldscherm is. Handig voor tekstcorrectie, of wie gewoon ruimte te kort komt.

Met de komst van de iPad beleven RSS-readers een tweede jeugd. Flipboard (gratis) en Pulse (2,99 euro) verzamelen de nieuwsberichten, foto’s en video’s uit de gewenste bronnen, van Google News tot Facebook en Twitter.

In Pressdisplay (gratis) kun je, na registratie, een flinke greep uit alle wereldkranten lezen. Wie een abonnement voor 39 dollar per maand afsluit, kan in de meeste landen ter wereld de belangrijkste kranten lezen. Alleen in Nederland is de keuze (enkel de Volkskrant) wat beperkt. Daar staat tegenover dat je 14 Noorse, 47 Duitse en 285 Canadese kranten kunt lezen.

Dode muggen

De iPad is ideaal wanneer je onderweg bent. Nooit meer uren door een stad dolen om een vluchtbevestiging te printen, bijzonder snel het laatste nieuws lezen en waar nodig binnen een paar minuten op belangrijke e-mail reageren. Toch is het geen vervanging voor een laptop. Toen ik op een terras in de Georgische hoofdstad Tbilisi plots las dat een onbekende Georgische zakenman een Nederlandse voetbalclub kocht, moest ik als de wiedeweerga met een taxi terug naar mijn hotel. Dertig vensters openen, halve webpagina’s vertalen en ondertussen een stuk schrijven, het gaat niet echt gemakkelijk op een iPad. Het kan wel, maar je moet er engelengeduld voor hebben.

Het heeft bijzonder veel voordelen een bibliotheek aan foto’s bij je te dragen. Toen de Georgische douane me uit de rij haalde voor een kruisverhoor kon ik aan de hand van foto’s exact uitleggen wat mijn werk is en waarom ik bepaalde stempels in mijn paspoort heb staan. Niet alleen bij autoriteiten, ook bij interviews wekt het vertrouwen. Met het kleine handzame dingetje kun je aan argwanende personen precies uitleggen en laten zien wie je bent en wat je doet. En nog handiger: wanneer jengelende kinderen een interview verstoren, zijn ze met de iPad wel even zoet. Net als taxichauffeurs, die met Google Maps opeens wel de weg naar je hotel weten te vinden.

Geweldig is ook het ‘on demand’-gevoel. Voor een boek hoef je niet langer naar een boekhandel, of weken te wachten op een zending uit Amerika. Toen ik in Georgië in contact kwam met een uitgever kon ik diezelfde avond nog het boek recenseren. Ook voorbij zijn de lange zoektochten door allerlei steden op zoek naar een kiosk die de International Herald Tribune verkoopt.

Zijn er ook keerzijdes? Reken maar. Wat steekt is dat de kranten, de e-books en de toepassingen die je koopt bij iTunes niet je eigendom zijn. De kranten van Pressdisplay blijven zestig dagen op de iPad staan, daarna zijn ze verdwenen. Uitprinten, doorsturen aan vrienden of archiveren voor later, het mag allemaal niet. Dat gaat ook op voor de boeken van Amazon. Een boek uitlenen aan een vriend, het mag allemaal niet van de ingewikkelde wetgeving die in principe slechts auteursrechten zou moeten beschermen. Wanneer de hype voorbij is en de iPad soms ook een dag of twee in een rugtas ligt, komt het besef dat het vooral een apparaat is om passief media te consumeren. Het is geen open platform om nieuws mee te maken.

Ook vervelend: het oplichtende scherm trekt in het donker muggen aan. Wanneer je die op het scherm dooddrukt, flip je automatisch over naar een volgende pagina of post je voor je het weet iets op Facebook. Dat daargelaten, het is geweldig journalistiek gereedschap. Ik zou niet meer zonder kunnen.

Zomerlectuur: Hunter S. Thompson

De komende maanden trekken miljoenen Nederlanders de wereld in om “˜even bij te tanken”™. Ofwel: vakantie. Deel van het jaarlijkse ritueel is bij sommigen de voorpret van het aanleggen van een stapeltje boeken “˜voor in de vakantie”™. De Nieuwe Reporter wordt gelezen door jonge, maar ook ervaren journalisten. We vroegen de wat ervarener journalisten (en “˜mediawerkers”™): Welk (vak)boek zou een jonge journalist in z”™n koffer moeten steken? En natuurlijk: waarom?

hunterS460

Olaf Koens (GPD-correspondent in Moskou)
,,Ik ben niet echt de aangewezen persoon om iemand op vakantieliteratuur te wijzen, want ik ga eigenlijk nooit op vakantie. Een vreemde gewaarwording, maar als je bijna altijd “˜on the road”™ bent is nog een extra trein, autorit of vliegtuig wel het laatste waar je aan denkt. Maar al dat reizen gaat niet zonder een aantal kilogram literatuur in de handbagage. Ik zou iedere journalist van harte “˜The Great Shark Hunt“˜ willen aanraden. Ruim 600 pagina”™s aan prachtige journalistiek, van de Hunter S. Thompson die eind jaren “˜50 werd ontslagen bij de luchtmacht tot de Thompson die twintig jaar later door Rolling Stone met een privéjet werd rondgevlogen. Met als absolute hoogtepunt de Amerikaanse verkiezingen van “˜72. Strange tales from a strange time. Na lezing blijft een gedachte hangen: het verhaal achter het verhaal is het echte verhaal.”

De ‘open newsroom’ van iamnews.com

Nir Ofir van iamnews.com weet het zeker. Journalisten die de afgelopen jaren zijn ontslagen komen vanzelf weer terug als freelancers. Hij deed zelf alvast een voorzet en plaatste een reeks vacatures op journalistensites. Kom bijdragen leveren bij iamnews.com en de opdrachtgevers komen vanzelf. De Nieuwe Reporter trok naar Israel voor een goed gesprek over nieuwe media, uitgevers, amateurs en journalisten die zelf het nieuws bepalen.

Nir Ofir

Iamnews.com is een jonge, Israelische start-up. Op het eerste oog lijkt het project een kruisbestuiving een persbureau en burgerjournalistiek-initiatief als het inmiddels ter ziele gegane Skoeps. Bloggende journalisten creà«ren unieke content die tegen betaling beschikbaar is voor de reguliere media. Centraal staat de “˜Open Newsroom”™. Iedereen kan nieuwsberichten aanmaken die daar naar gelang de regio en de actualiteit opduiken. Redacteuren kunnen daar verhalen aankopen of opdrachten uitschrijven.

Het systeem gebruikt de “˜linkedin-benadering”™. Mensen kunnen op de site hun eigen cv of portfolio aanmaken en krijgen een “˜reputatie”™, zoals bij bijvoorbeeld eBay gebruikelijk is. Iemand met veel positieve feedback van opdrachtgevers krijgt een hogere “˜rating”™. Deadlines niet nakomen of slechte stukken schrijven is slecht voor je reputatie. Het project van Ofir is nog altijd in een testfase. Er zitten inmiddels ruim 3000 journalisten in de database en iamnews krijgt tussen de 40 en de 50 aanmeldingen per dag.

Mediacrisis
,,Kijk maar eens hoe het werkt op een gemiddelde krantenredactie”, legt Ofir uit. ,,Als er iets in de wereld gaande is en men wil er aandacht aan besteden kijken ze over het algemeen eerst bij de persbureau”™s. Van AP tot AFP of Reuters, allemaal brengen ze hetzelfde. Wanneer dat niet afdoende is kijken redacteuren “˜of ze niet nog iemand kennen”™. Niks innovatie. Alles gaat precies zo als vijftig jaar geleden.”

De mediacrisis is volgens Ofir niet ontstaan bij de consumenten, noch bij de journalisten. ,,Het probleem zit bij de uitgevers. We moeten ze meer content aanleveren. Ze moeten diverser werken, met foto”™s, met video. We moeten de uitgevers met de wereld aansluiten.” Voor Ofir komt de crisis als een zegen. ,,Iedereen zegt nu wat ik al jaren denk: cutting the costs, keeping the content.”

Volgens Nir Ofir was het idee heel simpel. ,,Israel is klein. Er is hier geen markt voor niches. Er zijn geen vismagazines, geen glossy bladen voor fietsers. Via internet is die markt makkelijker te bedienen dan op papier.” Ofir is ruim een jaar geleden met de site begonnen. In de razendsnelle start-up wereld in Israel wist iamnews investeerders binnen te slepen. ,,We werken met vier mensen op kantoor. Twee daarvan zijn partners en ik heb een assistente. We draaien rustig. Er is weinig geld en we hebben nu weinig uitgaven. Toch wil ik op korte termijn de eerste winst binnenslepen. Hoe? Simpel. We nemen een “˜listing fee”™ van 10 dollar van de uitgevers en een “˜handling-fee”™ van 10 procent van de bijdragende journalisten.”

Voor Ofir aan dit avontuur begon werkte hij aan verschillende projecten die zich vooral bezighielden met User Generated Content. Leeswaardige content op internet aangedragen door de bezoekers zelf. ,,Er zit een groot gapend gat tussen het publiek en de uitgevers. De grote uitgevers zien dat misschien nog niet, de kleinere zelfstandigen zien het iedere dag. Er is overal op het internet fantastische content beschikbaar, enthousiaste amateurs en professionals die geen “˜exposure”™ hebben. Daar is een match. Iamnews is niet zozeer voor amateurs, maar we haken in op “˜the rise of the amateur”™. Het benadrukt hoe de markt is veranderd. Nieuws is niet langer louter het domein van grote nieuwsorganisaties. Ondertussen mag de advertentiemarkt een klap hebben gekregen, het is niet ten einde gekomen. Men wil nog altijd verkopen. Daarom komen krantenjournalisten die hun baan zijn kwijtgeraakt weer terug. Advertenties gaan door. Mensen willen toch nieuws lezen.

De journalist als middelpunt

Omdat de redactie verdwijnt staat de journalist zelf plots in het centrum van het nieuws. Het is niet langer de chef-buitenland of de redactie die de toon van de berichtgeving in handen heeft. Ofir: ,,Op blogs en bij de sociale netwerken is dat al lang zo. Het real-time web heeft een verandering teweeggebracht bij nieuwsconsumenten, dat moet nog doordringen bij de media. Redacties moeten de ruwe content kunnen stroomlijnen. Ze moeten het echte verhaal van de journalisten ter plaatse vertellen. Dat is precies wat ik met iamnews wil doen.”

Is het niet zo dat verschillende freelancers tegen elkaar op zullen bieden? En dat daarmee kwantiteit wint van de kwaliteit? ,,Misschien”, zegt Ofir. ,,Maar dat heb ik niet bedacht. Zo werkt het inmiddels.” Ik leg hem uit dat ik niet snel een complete reportage voor een klein bedrag van de hand zou doen. ,,Niet voor 50 euro”, legt Ofir uit. ,,Maar zou je het voor 5 x 50 euro verkopen? Toch verwacht ik niet dat journalisten hiermee op korte termijn in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Het kan een leuk zakcentje zijn, maar in het begin zal niemand er een full time baan aan overhouden. In het begin is het vooral een kwestie van vertrouwen kweken bij verschillende opdrachtgevers.”

En worden journalisten daarmee niet hun eigen merk? ,,Ja en nee. Er zal vanzelf een soort a-lijst ontstaan met “˜premium-journalisten”™ die vaak stukken verkopen. Maar het leeuwendeel van de bijdragen zullen anoniem blijven. Anoniem in die zin dat het journalisten zijn die verder bij redacties onbekend blijven.” Een ander gevolg met een positievere bijklank is dat er een soort wereldwijd sociaal-netwerk onstaat voor journalisten. ,,Jij zit hier nu in Tel-Aviv”, zegt Ofir tegen me, ,,Maar hoeveel journalisten ken je hier. Een paar? Het zou te gek zijn om via iamnews direct in contact te staan met tientallen journalisten en gelijk de vinger aan de pols te hebben. Het zal in zekere zin ook een sociaal netwerk en een nieuwssite worden.”

Ook Ofir behoort tot het gilde der gemankeerde schrijvers. ,,Ik wou een aantal jaar geleden een science-fictionboek schrijven, maar kon er natuurlijk geen uitgever voor vinden. Dat frustreerde me dusdandig dat ik alles heb aangeleerd, ik wou het via internet gaan publiceren. Dat is allemaal een beetje uit de hand gelopen.” En dat boek? ,,Dat is er nog steeds niet.”

‘Vrolijk kerstfeest, u bent ontslagen’

In het orthodoxe Oekraà¯ne viert men misschien geen kerst op 24 december, toch kwam het bericht uit Amsterdam die dag hard aan. De Telegraaf Media Groep trok de stekker uit ‘Obzor‘ (site op het moment van publicatie offline, red.), de lokale variant van Sp!ts.

Josja Zijlstra van TMG legt uit: “Die mededeling op kerstavond was ook voor mij erg zuur. Maar een pleister kan er in zulke gevallen maar beter snel vanaf. Het was in juli al bekend dat we gingen verkopen.”

Het zijn geen gemakkelijke tijden in Oekraà¯ne, zeker niet voor de dagbladpers. De financià«le crisis halveerde de waarde van de lokale munt en door de continue politieke crisis zijn er geen oplossingen om de economie uit het slop te trekken. De pers is verdeeld aan de hand van verschillende politieke fracties. De advertentiemarkt stort in en buitenlandse investeerders maken dat ze wegkomen.

“Juist ten tijde van crisis is er ruimte voor een krant als ‘Obzor’ (overzicht). Juist nu zal de advertentiemarkt weer opfleuren”, denkt Joeri Svirko, de hoofdredacteur. Hij kreeg vorige maand te horen dat de 47 mensen die bij zijn krant werkten binnenkort op straat staan. “Obzor was een krant die eerder eigenlijk niet veel meer deed dan verhalen van het internet simpelweg op papier af te drukken. Vaak zonder bronvermelding. TMG heeft de vorige hoofdredacteur ontslagen en ik ben hier op 24 juni begonnen. Precies een half jaar dus, want op 24 december stond ik weer op straat.” Continue reading

Een vliegende start in de journalistiek. Toch?

Even kennismaken: Casey Davison O’Brien, een Britse twintiger die op het punt staat een journalistieke carrière te beginnen. Hij heeft vijf jaar werkervaring in de NGO-sector, reisde meerdere malen dwars door verschillende delen van de wereld, spreekt een aardig mondje over de grens en heeft een goed taalgevoel. De vraag is: Waar begin je?

Het antwoord in Engeland is meestal: de ‘National Council for the Training of Journalists’ (NCTJ), een organisatie die cursussen en opleidingen in de journalistiek certificeert en zich opwerpt als hoeder van de kwaliteitspers. (meer bij De Nieuwe Reporter)

Litouwen en de strijd om de regio

‘De strijd gaat nu om de portals’, zegt Vladas ‘Het zijn relatief kleine marktaandelen, maar de slag moet nu online gewonnen worden. Dat gaat lukken.’ Ik zit in de auto met Vladas Sapranavicius, die ik nog ken uit Moskou. Hij is ongeveer een jaar geleden terug naar Litouwen gegaan om zich op de online-media te storten. Die markt is volgens hem ‘waanzinnig’. (bij De Nieuwe Reporter)

Vilnius (#)

Ooggetuigen ter plaatse, journalisten in Parijs

Een groep 16-jarigen uit de Achterhoek stapt bij Gare d’Austerlitz in de RER naar Versailles. Ze kijken hun ogen uit, vragen zich af waarom er een vrijheidsbeeld langs de Seine staat en brullen luidkeels ‘lekker wijf!’ naar alle françaises die in- of uitstappen. Ze zijn verbaasd over de enorme bouwdrift bij Issy Val de Seine. ‘Wat doen al die mensen daar?’

Al die mensen maken televisie. Tussen de enorme gebouwen van de grotere Franse banken, computerbedrijven en investeringsfondsen, staat het hoofdkwartier van France24 (spreek uit: France vingt-quatre). De rokers op straat spreken Frans, Engels en Arabisch door elkaar heen. Zelfs wie door een zij-ingang naar binnen stapt ontsnapt niet aan drietalige televisieschermen. Her en der staan internetzuilen die non-stop het nieuws brengen. Alles in het Frans, Engels en Arabisch, vaak met originele berichtgeving, of anders met ongeveer vijf seconden vertraging in de nasynchronisatie.

Uit de koker van dit enorme mediabedrijf komt ‘The Observers‘, een van de meest ambitieuze web-projecten die ik het afgelopen jaar voorbij heb zien komen. Achter de knoppen zit Julien Pain. We spreken af in een restaurant waar men aan de lopende band crêpes en cider serveert.

Meer bloggers, minder journalisten
Pain was eerder het hoofd van de afdeling internet van ‘Reporters Without Borders’ (RSF), waar hij zich vooral bezighield met bloggers in dictatoriale regimes en internet-vrijheid. Na vijf jaar was hij toe aan iets anders. ‘Ik wou iets gaan doen met ooggetuigen en bloggers. Ik heb lang gezocht naar een manier om dat aan de man te krijgen en uiteindelijk ging France24 akkoord.’ De website ‘The Observers’ is zijn geesteskind. ‘Ik ben hier begonnen in september 2007, in december zijn we van start gegaan.

‘Ik wou een nieuwssite opzetten die meer op bloggers dan op journalisten zou draaien. Gewone burgers die iets te vertellen hebben. Eigenlijk een logische stap na mijn vertrek bij RSF. Ik heb uit die tijd vooral mijn contacten meegenomen.’

Er zijn drie mensen fulltime in dienst bij The Observers, daarnaast werkt de website met een bescheiden hoeveelheid freelancers. Ze hebben ‘regional editors’, mensen die ‘observers’ recruteren en teksten redigeren. De site heeft ongeveer vierhonderd observers ingeschreven, waarvan velen slechts een enkele bijdrage hebben geschreven. ‘Iedereen kan een observer zijn’, legt Julien uit. ‘De man op de straat, de persoon die het overkomt of juist diegene die het filmt.’

‘Het idee achter de site is dat we zoveel mogelijk de experts en de professoren vermijden. Liever dan een media-figuur die in alle kranten staat heb ik iemand die het van dichtbij meemaakt. Neem bijvoorbeeld die Wilders-film. Genoeg experts in Nederland die iets kunnen zeggen over de moslimgemeenschap, maar liever heb ik iemand die daar deel van uit maakt.’

Het verschil met andere grote, internationale blogs is dat men bij The Observers niet zomaar iets online zet. ‘Journalisten op de redactie ‘fact-checken’ alles wat onze bloggers schrijven. Wanneer we iets niet zeker weten geven we dat helder aan. Je moet namelijk niet denken dat het publiek dom is’, legt Pain uit. ‘Het is een paradox. Hoewel we dus met bloggers werken – die we niet betalen – kost het juist meer tijd om content te produceren. We maken dus ook slechts twee verhalen per dag.’

Toegevoegde waarde
Is France24 specifiek Frans? Willen het station iets aankaarten? Julien denkt van niet. ‘Er zit geen agenda achter. We werken gewoon als journalisten en proberen een verhaal te vertellen. We korten zelfs niet in. Wanneer iemand twee paragrafen aan informatie instuurt, dan verwerken we dat op die manier.’

‘We proberen zoveel mogelijk de bloggers te betrekken bij de discussie. Niet lang geleden hadden we een video van een 11-jarig meisje uit de V.S. die in luttele seconden een automatisch geweer demonteert. Vooral onze Afrikaanse lezers schrokken daar van. De maker van het filmpje nam echter de tijd om uit te leggen dat zijn dochter van jongs af aan met wapens om heeft leren gaan. Dat heeft toegevoegde waarde. Soms springen we zelf in de discussie. Het loopt steeds beter.’

Het project is tweetalig (Frans en Engels) en heeft inmiddels 150.000 unieke bezoekers per maand. ‘Dat gaan er meer worden’, denkt Julien. ‘De meeste Franstalige bezoekers komen natuurlijk uit Frankrijk, maar ook Afrika en de gedeeltelijk Franstalige Maghreb-landen hebben een flink aandeel.’ Merkwaardig genoeg komt het verkeer voor de Engelse site niet overwegend uit de V.S. Julien: ‘Vooral Rusland en de Europese Unie hebben hier het grootste aandeel.’ Ook gebruiken de Engelstaligen de site anders. ‘Die komen hier per onderwerp, terwijl het voor de Franstaligen meer een dagelijkse nieuwsbron is.’ Op dit moment is de verdeling tussen Franstalige en Engelstalige bezoekers ongeveer gelijk. ‘In de toekomst moet dat natuurlijk veel meer in het Engels zijn.’

Een publieke instelling
Op mijn vraag naar het budget van het project kijkt Julien wat glazig uit zijn ogen. ‘Ik weet het eerlijk gezegd niet eens. Zolang ik goede content maak is iedereen tevreden.’ Hij lacht. ‘Ik weet dat het een luxe is. Ik hoef niet op cijfers te kijken. We zijn dan ook een publieke instelling.’

Er is een directe link tussen de website en het televisiekanaal. ‘Het materiaal dat wij produceren gaat natuurlijk naar de ‘newsroom’, of ik moet zelf naar de studio rennen om het verhaal te vertellen. Het versterkt elkaar. We proberen de kijkers van de televisiekanalen online te krijgen en andersom. Er zit een soort cyclus in.

Denkt hij dat een dergelijke site, die vooral draait op ‘User Generated Content (UGC)’, zou kunnen bestaan zonder de televisiezender? Pain refereert nogmaals aan zijn luxe positie. ‘Ik heb geen prioriteiten in termen van bezoekers. Wanneer je zelfstandig zou werken zou je veel meer aandacht moeten besteden aan Britney Spears. Hoewel we wel een paar advertenties hebben hoeven we er geen geld aan te verdienen.’

In de nabije toekomst ligt onder andere een televisie-item op de plank. Ik kreeg de ‘pilot’ van ‘The Observers’ te zien. Een item van drie minuten waarin vooral filmpjes gebruikt worden die wel nieuwswaarde hebben, maar niet in het journaal terecht komen.

Kritiek
Niet iedereen is onverdeeld gelukkig met de manier waarop het project te werk gaat. Kevin German is een fotograaf die tijdens de Olympische Spelen een blog bijhield. In een reactie laat hij weten: ‘Ze belden me met de vraag of ze wat materiaal mochten gebruiken. Ik ben toen akkoord gegaan. Achteraf zijn mijn woorden verdraaid. De volgende keer mogen ze mijn materiaal niet meer gebruiken.’

Ostap Karmodi is een Tsjechische journalist die veelal met Russische media werkt. Van hem staan er zeker elf berichten bij The Observers. ‘Ze hebben me waarschijnlijk gevonden omdat mijn naam hier en daar in de Russische pers opduikt’, laat hij weten. ‘Het is een leuk project, het idee er achter is sterk, maar of het aanslaat, dat moeten we nog maar eens zien.’

Hoe zit het eigenlijk met Sarkozy, die onlangs liet weten dat France24 alleen maar in het Frans zou moeten berichten? Pain: ‘Dat was maar een losse flodder.We hebben er niets meer van gehoord.’

‘Het grootste en beste persbureau van Slovenië’

Het medialandschap in Slovenië is op het eerste oog gezond en vooral rustig. Er is een ruime keus uit publieke en commerciële televisiestations, er circuleren ontzettend veel kranten en zowaar nog meer radiostations. De journalistenbond is mondig en opstandig. Internetgebruik ligt er boven het Europees gemiddelde. Alleen valt het op dat er slechts één persbureau te vinden is in Slovenië. Bovendien is het ook nog eens volledig in handen van de overheid.

‘Er was hier eens een Chinese correspondent die me vroeg hoe het toch kan dat ons persbureau het ‘grootste en het beste persbureau van Slovenië’ is’, lacht Uroš Urbanija, de adjunct-hoofdredacteur. ‘Dat is natuurlijk een absurde vraag. We zijn er gewoon.’

Ik spreek in een café met Borut Meško, hoofdredacteur en Uroš Urbanija, adjunct-hoofd van ‘Slovenska tiskovna agencija’ (STA), het Sloveens Nationaal Persbureau. Ze hebben 94 mensen in dienst, waarvan ongeveer 60 fulltime. Er zitten twee vaste correspondenten in Brussel, eentje in New York en ‘een aantal mensen in de buurlanden Italië, Oostenrijk en Kroatië’.

‘Vroeger zaten er in Ljubljana slechts een paar correspondenten van het communistische persbureau ‘Tanjug’. Sinds de eerste vrije verkiezingen in 1990 bestaat STA’, legt Meško uit. ‘De markt is te klein voor een commercieel persbureau. Hoewel ruim eenderde van ons budget uit onze commerciële activiteiten komt.’

Bescheiden is hij niet. ‘Geen enkel medium in Slovenië overleeft zonder het STA. We schrijven driehonderd nieuwsberichten per dag. Geen commentaar, geen analyse, louter feiten en informatie.’ Ook heeft STA een Engelstalige dienst. ‘Die is belangrijk. We hebben vertalers die Sloveens nieuws naar het Engels omzetten en andersom. Vooral ambassades en internationale instellingen nemen dat af.’

In de eerste helft van 2008 was Slovenië voorzitter van de Europese Unie. Meško: ‘Voor de berichtgeving hebben we zeven extra mensen ingehuurd en een tweede man aangenomen in Brussel. Bovendien kregen alle buitenlandse journalisten een gratis login voor onze site.’ Voor grote evenementen stuurt het bedrijf eigen verslaggevers op pad. ‘Voor de Olympische Spelen in Beijing hebben we een contract met Xinhua, het Chinese persbureau, en hadden we twee verslaggevers en een fotograaf ter plaatse.’

Uroš Urbanija verdedigt met verve het overheidskarakter van het persbureau. ‘De journalistieke kant van bureau is strikt gescheiden van de zakelijke. Bovendien maken wij nu bijna driehonderd nieuwsberichten per dag. Waren we een commercieël bedrijf geweest waren dat maximaal 150 berichten per dag geweest. Daarmee druk je een hoop nieuws de vergetelheid in.’

Het hele spectrum verslaan
Borut en Uroš geven me een inzichtje in de mediamarkt zoals zij die zien. ‘Italiaanse praktijken’, legt Uroš uit. En hij kan het weten. Tot vorig jaar gaf hij les aan een univeristeit in Rome. Er zijn verschillende clans die een groot gedeelte van de media in hun greep houden. Lokale oligarchen met belangen. ‘Juist vanwege een dergelijk medialandschap moeten wij objectief nieuws brengen en alles checken’, legt Uroš uit.

Objectief nieuws, dat is volgens STA simpelweg ‘het hele spectrum verslaan’. ‘We laten alle kanten aan het woord en publiceren alles. Het probleem is echter dat verschillende nieuwsmedia met je bericht aan de haal gaan. Wij laten ook de oppositie aan het woord, maar een krant die sympathieker is ten opzichte van de overheid haalt die quote er juist uit.’

Soms zijn locale publicaties bepaald niet gelukkig met onthullingen van STA. ‘Dan worden we geblokkeerd, dat zien we wel vaker’, licht Uroš Urbanija toe. Maar hoe zit het dan met schandalen binnen de overheid? ‘Hoe groter de rel, hoe beter. Maar we checken alles van te voren.’

Nieuws is altijd een kwestie van invalshoek
Marko Milosavljevi? is een onafhankelijke onderzoeker aan de Faculteit voor Sociale Wetenschappen in Ljubljana. ‘Je kunt natuurlijk zeggen wat je wilt, maar wanneer iets je eigendom is heb je er ook invloed op. STA is gewoon een departement van het Ministerie voor Communicatie.’ Hij legt uit dat het persbureau in de beginjaren verschillende eigenaren had, die de overheid langzaam heeft uitgekocht.

‘Recentelijk is er een nieuwe manager bij STA aangetreden, de voormalige woordvoerster van de inmiddels regerende partij. Natuurlijk heeft dat gevolgen. Ze heeft een aantal berichten teruggetrokken of niet gepubliceerd. Of ze berichten ergens wel over, maar veel te laat. Nieuws is altijd een kwestie van invalshoek. Wie spreek je, en wat voor quotes gebruik je?’

Hij noemt een voorbeeld van zijn eigen faculteit. ‘Er was een tijd geleden een hoop commotie vanwege het gerucht dat de premier bepaalde media zou censureren. STA belde een collega voor een quote. Hij liet letterlijk weten: ‘Ik geloof niet dat de premier zelf de media censureert, dat zullen zijn secondanten doen’. De quote die bij STA opdook was letterlijk: ‘Ik geloof niet dat de premier zelf de media censureert. Punt. Dat spreekt natuurlijk boekdelen.’

Keer op keer een vraag stellen
Milosavljevi? trekt het breder en legt uit dat het om een cultureel fenomeen gaat. ‘Het heeft iets met de ‘coming of age’ te maken’, denkt hij. Hier worden de fundamenten van de democratie keer op keer getest. ‘Vergelijk het met Engeland. Wanneer een politicus ook maar een vinger uit zou steken richting de BBC zou er enorm veel commotie op gang komen. Daar zitten de ‘checks en balances’ in de cultuur ingebakken. Hier ontbreekt dat.’

Ook is Marko Milosavljevi? kritisch ten opzichte van de EU-agenda van STA. ‘Het voorzitterschap van de Unie werd gezien als een soort grote nationale taak. Alsof Slovenië plots het centrum van de wereld was. Maar, vergis je niet. De Europese Unie is hier erg geliefd. Dat heeft misschien iets met de oorlog te maken.’

Zijn grootste punt van kritiek heeft te maken met de opzet van het nieuwsagentschap. ‘Het is geen publieke instelling, maar simpelweg een onderdeel van het overheidsapparaat. Het zou publiek domein moeten zijn met een raad die over de benoemingen gaat. Op dit moment worden de bestuurders simpelweg aangewezen door de politiek.’

Teleurstellend
In een reactie laat Uroš Urbanija weten daar wel gevoelig voor te zijn. ‘Dat probleem is niet nieuw. Alleen is het typerend dat mensen die problemen hebben met de huidige directeur juist geen problemen hadden met de vorige. De voormalige directeur was een belangrijk figuur binnen de voormalige Joegoslavische Geheime Dienst.’

‘Voor mij als adjunct zijn er twee dingen belangrijk’, legt Urbanija uit. In de eerste plaats dat ik onafhankelijk kan werken en in de tweede plaats dat alle journalisten betaald krijgen voor hun werk.’

Het verhaal dat de huidige directeur berichten zou hebben ingetrokken klopt, maar is verkeerd weergegeven. ‘Het ging om een klein commentaar dat door een jonge journalist van ons agentschap verkeerd is weergegeven. Er zat een journalistieke fout in en dat bericht hoorde simpelweg niet bij ons thuis.’

‘Dat is wat me teleurstelt aan journalistiek in Slovenië. Iedereen heeft het erover, maar niemand neemt de moeite dat even bij mij te checken’.

Geen onafhankelijke journalistiek in het land van intellectuele overproductie

Riga (#)

De cijfers liegen er niet om. In Letland worden 268 verschillende periodieken gedrukt. Elf landelijke dagelijkse kranten, 26 wekelijkse magazines, 24 wekelijkse kranten, 23 kwartaalbladen, tien maandelijkse kranten, 89 maandelijkse magazines, 59 regionale kranten en nog een aantal ongedefinieerde periodieke publicaties.

Nu komt het indrukwekkende: er wonen iets meer dan 2 miljoen mensen in Letland. Daarvan is slechts een krappe meerderheid van 60 procent ethnisch Lets. Er wonen nog eens 28 procent Russen, en een grootse Wit-Russische en Poolse minderheid. De gezamenlijke doelgroep van al die publicaties bedraagt nog geen 700.000 man. 268 publicaties op een markt van 700.000, een indrukwekkend cijfer.

Dat denkt Evalds Gausis ook. Hij werkt bij een grote financiële dienstverlener en onderzoekt de mediamarkt. Een echte verklaring heeft hij niet. “Letland heeft het hoogste aantal studenten in universitair onderwijs in de EU. Dat zal er wel iets mee te maken hebben”, denkt Evalds. “Je bent jong, creatief en je wilt iets doen. Dan kun je maar beter een eigen magazine uitgeven.”

Clans
Ik heb een afspraak, maar mis net de trolleybus. Ik stop een taxi, en we rijden over de ‘Brivibas-straat’, een van de hoofdaders van de stad. “Dat is nu de vrijheidsstraat”, zegt de taxichauffeur. “Vroeger was het de Leninstraat, toen werd het de Stalinstraat, toen de Hitlerstraat, daarna weer de Leninstraat en nu heet het de vrijheidsstraat”. Hij lacht cynisch. “Binnenkort zal het wel de George Bush-straat worden.”

Ik spreek af met Sergejs Kruks, een van de weinige onafhankelijke journalisten in Letland. Zijn naam verraadt zijn Russische achtergrond. Behalve Russisch spreekt en schrijft hij vloeiend Lets, Engels en nog een aantal andere talen. Hij heeft twee bladen meegenomen. De Russische editie van ‘Newsweek’ en de ‘Vlast’ (macht) bijlage van de gerespecteerde Russische krant Kommersant. “Ik leg mijn studenten altijd uit dat wanneer je een idee wilt hebben wat er in ‘rookgordijn Rusland’ aan de hand is, dan lees je zorgvuldig deze publicaties. Wil je weten wat er in het – veel kleinere en minder ingewikkelde – Letland aan de hand is? Wat lees je dan? Ik moet je het antwoord schuldig blijven.”

En hij windt er geen doekjes om. “Er bestaat geen onafhankelijke journalistiek in Letland. De situatie hier lijkt meer op de Italiaanse. Verschillende clans hebben controle over de media. Je kunt het conflict het best beschrijven over een breuklijn die loopt tussen de ‘lokale oligarchen’ en de ‘westerse liberalen’, hoewel je beide begrippen met een flinke korrel zout moet nemen.”

Persoonlijke voorbeelden heeft hij genoeg. “Ik werkte een tijd als televisiecriticus bij Diena, de grootste krant van Letland. Ik stak mijn politieke mening niet onder stoelen of banken, soms kom je daar nu eenmaal niet onderuit. Ook in mijn academisch onderzoek schreef ik soms kritisch over Diena. En zo was ik mijn baan als televisierecensent al weer kwijt.”

“Ze zijn een tijdje zelfs gestopt me te bellen voor quotes”, zegt hij. “Tot de hoofdredacteur onlangs veranderde. Nog geen twee weken later wou men weer van me horen. Journalistiek, het is hier pure politieke business.”

Sorosisten en anti-Sorosisten
Sergejs heeft een aantal onderzoeken gedaan die de breuklijn in de pers goed weergeven. “Eigenlijk is het een campagne tussen Sorosisten en anti-Sorosisten”, legt hij uit. “Dat begon in december 2005 toen de krant Neatkariga een sterke toon aansloeg tegen George Soros, een campagne die vrijwel naadloos paste bij de Russische anti-Soros campagne sinds oktober 2005.” De geldstromen van George Soros naar het maatschappelijke middenveld worden gezien als negatieve westerse waarden, of zelfs als Amerikaanse invloed. De toenmalige Russische president Poetin hield George Soros persoonlijk verantwoordelijk voor de anti-Russische revoluties in Georgië en Oekraïne.

“Sindsdien ben je voor of tegen Soros”, legt Kruks uit. “Diena is pro-, Neatkariga is contra. Je ziet het overal terugkomen. De Sorosisten of liberalen zijn voor een Gay Pride in de stad, de anti-Sorosisten of lokale oligarchen die de meer traditionele waarden in pacht houden, die zijn dus tegen.”

“Een echt debat is er niet. Het geruzie begint een paar dagen voor de pride, en is daarna weer snel afgelopen. In het hele debat heb ik drie redelijke argumenten gezien aan beide kanten. De rest is nonsens. Journalisten gaan niet pro-actief op zoek naar andere argumenten of verhaallijnen. Ze volgen de lijn van de redactie.”

Pedofielenpartij
Volgens Sergejs was een van de weinige zinvolle bijdragen aan dit debat afkomstig van de Nederlandse ambassadeur. “Die moest wel reageren, omdat de anti-Sorosisten de liberale waarden ‘Nederlands’ vonden, en het een en ander in verband brachten met de pedofielenpartij.”

Ook de verhoudingen tussen de Russischtalige en de Letse pers zijn fragiel. “Diena is Lets, maar wilde in de loop naar de toetreding tot de Europese Unie haar anti-Russische toon matigen. Daarom huurde men etnische Russische journalisten in. Zo stond er bijvoorbeeld een keer op 1 september – de eerste schooldag – een grote foto van een jongetje, laten we hem Vanja Ivanov noemen (een typische Russische voor- en achternaam) en zijn trotse ouders. Ze stuurde hem naar een Letse school omdat ze dachten dat daar meer toekomst in zat.”

Ook de journalistenbond in Letland is het slachtoffer geworden van een politieke strijd. Dat is ‘niet heel erg’, aldus Sergejs. “Journalisten hier hebben geen bond nodig. Ze zijn slechts in dienst van hun werkgever, er bestaat geen professionele attitude. Onderzoek wijst ook uit dat een ruime meerderheid van de journalisten er geen probleem in ziet te schrijven wat hun werkgever hen opdraagt. Wie zich verzet tegen de hoofdredactie is de volgende dag ontslagen.”

“Nog een groot probleem”, aldus Sergejs, “Er is geen visie onder uitgevers. Er is geen professionele strategie voor media-business. Rijke zakenlieden kopen kranten of uitgeverijen als visitekaartje, zonder een flauw idee te hebben wat ze er mee moeten doen. Er zit geen visie achter.”

Corruptieschandaal
Toch bestaat er een levendige pers. De kiosken puilen uit van de verschillende publicaties en de Letten lezen er stevig op los. Kruks noemt het een ‘intellectuele overproductie’. “Nog nooit studeerden er zoveel mensen af aan de universiteiten. Die moeten allemaal iets doen.”

“Volgens veel van mijn Westerse collega’s is een vrije pers de eerste voorwaarde voor een goed functionerende samenleving. Dat is alleen het geval in ‘zelf-evidente’ samenlevingen, waar een corruptieschandaal bijvoorbeeld ook tot een aanklacht leidt. Hier is dat niet zo.”