Zomerlectuur: Hunter S. Thompson

Friday, July 24th, 2009

De komende maanden trekken miljoenen Nederlanders de wereld in om ‘even bij te tanken’. Ofwel: vakantie. Deel van het jaarlijkse ritueel is bij sommigen de voorpret van het aanleggen van een stapeltje boeken ‘voor in de vakantie’. De Nieuwe Reporter wordt gelezen door jonge, maar ook ervaren journalisten. We vroegen de wat ervarener journalisten (en ‘mediawerkers’): Welk (vak)boek zou een jonge journalist in z’n koffer moeten steken? En natuurlijk: waarom?

hunterS460

Olaf Koens (GPD-correspondent in Moskou)
,,Ik ben niet echt de aangewezen persoon om iemand op vakantieliteratuur te wijzen, want ik ga eigenlijk nooit op vakantie. Een vreemde gewaarwording, maar als je bijna altijd ‘on the road’ bent is nog een extra trein, autorit of vliegtuig wel het laatste waar je aan denkt. Maar al dat reizen gaat niet zonder een aantal kilogram literatuur in de handbagage. Ik zou iedere journalist van harte ‘The Great Shark Hunt‘ willen aanraden. Ruim 600 pagina’s aan prachtige journalistiek, van de Hunter S. Thompson die eind jaren ‘50 werd ontslagen bij de luchtmacht tot de Thompson die twintig jaar later door Rolling Stone met een privéjet werd rondgevlogen. Met als absolute hoogtepunt de Amerikaanse verkiezingen van ‘72. Strange tales from a strange time. Na lezing blijft een gedachte hangen: het verhaal achter het verhaal is het echte verhaal.”

De ‘open newsroom’ van iamnews.com

Tuesday, July 21st, 2009

Nir Ofir van iamnews.com weet het zeker. Journalisten die de afgelopen jaren zijn ontslagen komen vanzelf weer terug als freelancers. Hij deed zelf alvast een voorzet en plaatste een reeks vacatures op journalistensites. Kom bijdragen leveren bij iamnews.com en de opdrachtgevers komen vanzelf. De Nieuwe Reporter trok naar Israel voor een goed gesprek over nieuwe media, uitgevers, amateurs en journalisten die zelf het nieuws bepalen.

Nir Ofir

Iamnews.com is een jonge, Israelische start-up. Op het eerste oog lijkt het project een kruisbestuiving een persbureau en burgerjournalistiek-initiatief als het inmiddels ter ziele gegane Skoeps. Bloggende journalisten creëren unieke content die tegen betaling beschikbaar is voor de reguliere media. Centraal staat de ‘Open Newsroom’. Iedereen kan nieuwsberichten aanmaken die daar naar gelang de regio en de actualiteit opduiken. Redacteuren kunnen daar verhalen aankopen of opdrachten uitschrijven.

Het systeem gebruikt de ‘linkedin-benadering’. Mensen kunnen op de site hun eigen cv of portfolio aanmaken en krijgen een ‘reputatie’, zoals bij bijvoorbeeld eBay gebruikelijk is. Iemand met veel positieve feedback van opdrachtgevers krijgt een hogere ‘rating’. Deadlines niet nakomen of slechte stukken schrijven is slecht voor je reputatie. Het project van Ofir is nog altijd in een testfase. Er zitten inmiddels ruim 3000 journalisten in de database en iamnews krijgt tussen de 40 en de 50 aanmeldingen per dag.

Mediacrisis
,,Kijk maar eens hoe het werkt op een gemiddelde krantenredactie”, legt Ofir uit. ,,Als er iets in de wereld gaande is en men wil er aandacht aan besteden kijken ze over het algemeen eerst bij de persbureau’s. Van AP tot AFP of Reuters, allemaal brengen ze hetzelfde. Wanneer dat niet afdoende is kijken redacteuren ‘of ze niet nog iemand kennen’. Niks innovatie. Alles gaat precies zo als vijftig jaar geleden.”

De mediacrisis is volgens Ofir niet ontstaan bij de consumenten, noch bij de journalisten. ,,Het probleem zit bij de uitgevers. We moeten ze meer content aanleveren. Ze moeten diverser werken, met foto’s, met video. We moeten de uitgevers met de wereld aansluiten.” Voor Ofir komt de crisis als een zegen. ,,Iedereen zegt nu wat ik al jaren denk: cutting the costs, keeping the content.”

Volgens Nir Ofir was het idee heel simpel. ,,Israel is klein. Er is hier geen markt voor niches. Er zijn geen vismagazines, geen glossy bladen voor fietsers. Via internet is die markt makkelijker te bedienen dan op papier.” Ofir is ruim een jaar geleden met de site begonnen. In de razendsnelle start-up wereld in Israel wist iamnews investeerders binnen te slepen. ,,We werken met vier mensen op kantoor. Twee daarvan zijn partners en ik heb een assistente. We draaien rustig. Er is weinig geld en we hebben nu weinig uitgaven. Toch wil ik op korte termijn de eerste winst binnenslepen. Hoe? Simpel. We nemen een ‘listing fee’ van 10 dollar van de uitgevers en een ‘handling-fee’ van 10 procent van de bijdragende journalisten.”

Voor Ofir aan dit avontuur begon werkte hij aan verschillende projecten die zich vooral bezighielden met User Generated Content. Leeswaardige content op internet aangedragen door de bezoekers zelf. ,,Er zit een groot gapend gat tussen het publiek en de uitgevers. De grote uitgevers zien dat misschien nog niet, de kleinere zelfstandigen zien het iedere dag. Er is overal op het internet fantastische content beschikbaar, enthousiaste amateurs en professionals die geen ‘exposure’ hebben. Daar is een match. Iamnews is niet zozeer voor amateurs, maar we haken in op ‘the rise of the amateur’. Het benadrukt hoe de markt is veranderd. Nieuws is niet langer louter het domein van grote nieuwsorganisaties. Ondertussen mag de advertentiemarkt een klap hebben gekregen, het is niet ten einde gekomen. Men wil nog altijd verkopen. Daarom komen krantenjournalisten die hun baan zijn kwijtgeraakt weer terug. Advertenties gaan door. Mensen willen toch nieuws lezen.

De journalist als middelpunt

Omdat de redactie verdwijnt staat de journalist zelf plots in het centrum van het nieuws. Het is niet langer de chef-buitenland of de redactie die de toon van de berichtgeving in handen heeft. Ofir: ,,Op blogs en bij de sociale netwerken is dat al lang zo. Het real-time web heeft een verandering teweeggebracht bij nieuwsconsumenten, dat moet nog doordringen bij de media. Redacties moeten de ruwe content kunnen stroomlijnen. Ze moeten het echte verhaal van de journalisten ter plaatse vertellen. Dat is precies wat ik met iamnews wil doen.”

Is het niet zo dat verschillende freelancers tegen elkaar op zullen bieden? En dat daarmee kwantiteit wint van de kwaliteit? ,,Misschien”, zegt Ofir. ,,Maar dat heb ik niet bedacht. Zo werkt het inmiddels.” Ik leg hem uit dat ik niet snel een complete reportage voor een klein bedrag van de hand zou doen. ,,Niet voor 50 euro”, legt Ofir uit. ,,Maar zou je het voor 5 x 50 euro verkopen? Toch verwacht ik niet dat journalisten hiermee op korte termijn in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Het kan een leuk zakcentje zijn, maar in het begin zal niemand er een full time baan aan overhouden. In het begin is het vooral een kwestie van vertrouwen kweken bij verschillende opdrachtgevers.”

En worden journalisten daarmee niet hun eigen merk? ,,Ja en nee. Er zal vanzelf een soort a-lijst ontstaan met ‘premium-journalisten’ die vaak stukken verkopen. Maar het leeuwendeel van de bijdragen zullen anoniem blijven. Anoniem in die zin dat het journalisten zijn die verder bij redacties onbekend blijven.” Een ander gevolg met een positievere bijklank is dat er een soort wereldwijd sociaal-netwerk onstaat voor journalisten. ,,Jij zit hier nu in Tel-Aviv”, zegt Ofir tegen me, ,,Maar hoeveel journalisten ken je hier. Een paar? Het zou te gek zijn om via iamnews direct in contact te staan met tientallen journalisten en gelijk de vinger aan de pols te hebben. Het zal in zekere zin ook een sociaal netwerk en een nieuwssite worden.”

Ook Ofir behoort tot het gilde der gemankeerde schrijvers. ,,Ik wou een aantal jaar geleden een science-fictionboek schrijven, maar kon er natuurlijk geen uitgever voor vinden. Dat frustreerde me dusdandig dat ik alles heb aangeleerd, ik wou het via internet gaan publiceren. Dat is allemaal een beetje uit de hand gelopen.” En dat boek? ,,Dat is er nog steeds niet.”

Zomerreporter 2.0

Tuesday, July 7th, 2009

Lex Boon zomerreporter

Hoe sterk is de eenzame zomerreporter die kromgebogen over zijn laptop tegen de wind zichzelf een weg baant? Zet h’m op, Lex Boon!

‘Vrolijk kerstfeest, u bent ontslagen’

Saturday, January 31st, 2009

In het orthodoxe Oekraïne viert men misschien geen kerst op 24 december, toch kwam het bericht uit Amsterdam die dag hard aan. De Telegraaf Media Groep trok de stekker uit ‘Obzor‘ (site op het moment van publicatie offline, red.), de lokale variant van Sp!ts.

Josja Zijlstra van TMG legt uit: “Die mededeling op kerstavond was ook voor mij erg zuur. Maar een pleister kan er in zulke gevallen maar beter snel vanaf. Het was in juli al bekend dat we gingen verkopen.”

Het zijn geen gemakkelijke tijden in Oekraïne, zeker niet voor de dagbladpers. De financiële crisis halveerde de waarde van de lokale munt en door de continue politieke crisis zijn er geen oplossingen om de economie uit het slop te trekken. De pers is verdeeld aan de hand van verschillende politieke fracties. De advertentiemarkt stort in en buitenlandse investeerders maken dat ze wegkomen.

“Juist ten tijde van crisis is er ruimte voor een krant als ‘Obzor’ (overzicht). Juist nu zal de advertentiemarkt weer opfleuren”, denkt Joeri Svirko, de hoofdredacteur. Hij kreeg vorige maand te horen dat de 47 mensen die bij zijn krant werkten binnenkort op straat staan. “Obzor was een krant die eerder eigenlijk niet veel meer deed dan verhalen van het internet simpelweg op papier af te drukken. Vaak zonder bronvermelding. TMG heeft de vorige hoofdredacteur ontslagen en ik ben hier op 24 juni begonnen. Precies een half jaar dus, want op 24 december stond ik weer op straat.” (more…)

Een vliegende start in de journalistiek. Toch?

Friday, October 3rd, 2008

Even kennismaken: Casey Davison O’Brien, een Britse twintiger die op het punt staat een journalistieke carrière te beginnen. Hij heeft vijf jaar werkervaring in de NGO-sector, reisde meerdere malen dwars door verschillende delen van de wereld, spreekt een aardig mondje over de grens en heeft een goed taalgevoel. De vraag is: Waar begin je?

Het antwoord in Engeland is meestal: de ‘National Council for the Training of Journalists’ (NCTJ), een organisatie die cursussen en opleidingen in de journalistiek certificeert en zich opwerpt als hoeder van de kwaliteitspers. (meer bij De Nieuwe Reporter)

Litouwen en de strijd om de regio

Thursday, October 2nd, 2008

‘De strijd gaat nu om de portals’, zegt Vladas ‘Het zijn relatief kleine marktaandelen, maar de slag moet nu online gewonnen worden. Dat gaat lukken.’ Ik zit in de auto met Vladas Sapranavicius, die ik nog ken uit Moskou. Hij is ongeveer een jaar geleden terug naar Litouwen gegaan om zich op de online-media te storten. Die markt is volgens hem ‘waanzinnig’. (bij De Nieuwe Reporter)

Vilnius (#)

Ooggetuigen ter plaatse, journalisten in Parijs

Saturday, September 13th, 2008

Een groep 16-jarigen uit de Achterhoek stapt bij Gare d’Austerlitz in de RER naar Versailles. Ze kijken hun ogen uit, vragen zich af waarom er een vrijheidsbeeld langs de Seine staat en brullen luidkeels ‘lekker wijf!’ naar alle françaises die in- of uitstappen. Ze zijn verbaasd over de enorme bouwdrift bij Issy Val de Seine. ‘Wat doen al die mensen daar?’

Al die mensen maken televisie. Tussen de enorme gebouwen van de grotere Franse banken, computerbedrijven en investeringsfondsen, staat het hoofdkwartier van France24 (spreek uit: France vingt-quatre). De rokers op straat spreken Frans, Engels en Arabisch door elkaar heen. Zelfs wie door een zij-ingang naar binnen stapt ontsnapt niet aan drietalige televisieschermen. Her en der staan internetzuilen die non-stop het nieuws brengen. Alles in het Frans, Engels en Arabisch, vaak met originele berichtgeving, of anders met ongeveer vijf seconden vertraging in de nasynchronisatie.

Issy Val de Seine

‘Het grootste en beste persbureau van Slovenië’

Saturday, September 6th, 2008

Het medialandschap in Slovenië is op het eerste oog gezond en vooral rustig. Er is een ruime keus uit publieke en commerciële televisiestations, er circuleren ontzettend veel kranten en zowaar nog meer radiostations. De journalistenbond is mondig en opstandig. Internetgebruik ligt er boven het Europees gemiddelde. Alleen valt het op dat er slechts één persbureau te vinden is in Slovenië. Bovendien is het ook nog eens volledig in handen van de overheid.

‘Er was hier eens een Chinese correspondent die me vroeg hoe het toch kan dat ons persbureau het ‘grootste en het beste persbureau van Slovenië’ is’, lacht Uroš Urbanija, de adjunct-hoofdredacteur. ‘Dat is natuurlijk een absurde vraag. We zijn er gewoon.’ (lees verder bij De Nieuwe Reporter)

Geen onafhankelijke journalistiek in het land van intellectuele overproductie

Monday, August 18th, 2008

Riga (#)

De cijfers liegen er niet om. In Letland worden 268 verschillende periodieken gedrukt. Elf landelijke dagelijkse kranten, 26 wekelijkse magazines, 24 wekelijkse kranten, 23 kwartaalbladen, tien maandelijkse kranten, 89 maandelijkse magazines, 59 regionale kranten en nog een aantal ongedefinieerde periodieke publicaties.

Nu komt het indrukwekkende: er wonen iets meer dan 2 miljoen mensen in Letland. Daarvan is slechts een krappe meerderheid van 60 procent ethnisch Lets. Er wonen nog eens 28 procent Russen, en een grootse Wit-Russische en Poolse minderheid. De gezamelijke doelgroep van al die publicaties bedraagt nog geen 700.000 man. 268 publicaties op een markt van 700.000, een indrukwekkend cijfer.

Dat denkt Evalds Gausis ook. Hij werkt bij een grote financiële dienstverlener en onderzoekt de mediamarkt. Een echte verklaring heeft hij niet. “Letland heeft het hoogste aantal studenten in universitair onderwijs in de EU. Dat zal er wel iets mee te maken hebben”, denkt Evalds. “Je bent jong, creatief en je wilt iets doen. Dan kun je maar beter een eigen magazine uitgeven.”

Clans
Ik heb een afspraak, maar mis net de trolleybus. Ik stop een taxi, en we rijden over de ‘Brivibas-straat’, een van de hoofdaders van de stad. “Dat is nu de vrijheidsstraat”, zegt de taxichauffeur. “Vroeger was het de Leninstraat, toen werd het de Stalinstraat, toen de Hitlerstraat, daarna weer de Leninstraat en nu heet het de vrijheidsstraat”. Hij lacht cynisch. “Binnenkort zal het wel de George Bush-straat worden.”

Ik spreek af met Sergejs Kruks, een van de weinige onafhankelijke journalisten in Letland. Zijn naam verraadt zijn Russische achtergrond. Behalve Russisch spreekt en schrijft hij vloeiend Lets, Engels en nog een aantal andere talen. Hij heeft twee bladen meegenomen. De Russische editie van ‘Newsweek’ en de ‘Vlast’ (macht) bijlage van de gerespecteerde Russische krant Kommersant. “Ik leg mijn studenten altijd uit dat wanneer je een idee wilt hebben wat er in ‘rookgordijn Rusland’ aan de hand is, dan lees je zorgvuldig deze publicaties. Wil je weten wat er in het – veel kleinere en minder ingewikkelde – Letland aan de hand is? Wat lees je dan? Ik moet je het antwoord schuldig blijven.”

En hij windt er geen doekjes om. “Er bestaat geen onafhankelijke journalistiek in Letland. De situatie hier lijkt meer op de Italiaanse. Verschillende clans hebben controle over de media. Je kunt het conflict het best beschrijven over een breuklijn die loopt tussen de ‘lokale oligarchen’ en de ‘westerse liberalen’, hoewel je beide begrippen met een flinke korrel zout moet nemen.”

Persoonlijke voorbeelden heeft hij genoeg. “Ik werkte een tijd als televisiecriticus bij Diena, de grootste krant van Letland. Ik stak mijn politieke mening niet onder stoelen of banken, soms kom je daar nu eenmaal niet onderuit. Ook in mijn academisch onderzoek schreef ik soms kritisch over Diena. En zo was ik mijn baan als televisierecensent al weer kwijt.”

“Ze zijn een tijdje zelfs gestopt me te bellen voor quotes”, zegt hij. “Tot de hoofdredacteur onlangs veranderde. Nog geen twee weken later wou men weer van me horen. Journalistiek, het is hier pure politieke business.”

Sorosisten en anti-Sorosisten
Sergejs heeft een aantal onderzoeken gedaan die de breuklijn in de pers goed weergeven. “Eigenlijk is het een campagne tussen Sorosisten en anti-Sorosisten”, legt hij uit. “Dat begon in december 2005 toen de krant Neatkariga een sterke toon aansloeg tegen George Soros, een campagne die vrijwel naadloos paste bij de Russische anti-Soros campagne sinds oktober 2005.” De geldstromen van George Soros naar het maatschappelijke middenveld worden gezien als negatieve westerse waarden, of zelfs als Amerikaanse invloed. De toenmalige Russische president Poetin hield George Soros persoonlijk verantwoordelijk voor de anti-Russische revoluties in Georgië en Oekraïne.

“Sindsdien ben je voor of tegen Soros”, legt Kruks uit. “Diena is pro-, Neatkariga is contra. Je ziet het overal terugkomen. De Sorosisten of liberalen zijn voor een Gay Pride in de stad, de anti-Sorosisten of lokale oligarchen die de meer traditionele waarden in pacht houden, die zijn dus tegen.”

“Een echt debat is er niet. Het geruzie begint een paar dagen voor de pride, en is daarna weer snel afgelopen. In het hele debat heb ik drie redelijke argumenten gezien aan beide kanten. De rest is nonsens. Journalisten gaan niet pro-actief op zoek naar andere argumenten of verhaallijnen. Ze volgen de lijn van de redactie.”

Pedofielenpartij
Volgens Sergejs was een van de weinige zinvolle bijdragen aan dit debat afkomstig van de Nederlandse ambassadeur. “Die moest wel reageren, omdat de anti-Sorosisten de liberale waarden ‘Nederlands’ vonden, en het een en ander in verband brachten met de pedofielenpartij.”

Ook de verhoudingen tussen de Russischtalige en de Letse pers zijn fragiel. “Diena is Lets, maar wilde in de loop naar de toetreding tot de Europese Unie haar anti-Russische toon matigen. Daarom huurde men etnische Russische journalisten in. Zo stond er bijvoorbeeld een keer op 1 september – de eerste schooldag – een grote foto van een jongetje, laten we hem Vanja Ivanov noemen (een typische Russische voor- en achternaam) en zijn trotse ouders. Ze stuurde hem naar een Letse school omdat ze dachten dat daar meer toekomst in zat.”

Ook de journalistenbond in Letland is het slachtoffer geworden van een politieke strijd. Dat is ‘niet heel erg’, aldus Sergejs. “Journalisten hier hebben geen bond nodig. Ze zijn slechts in dienst van hun werkgever, er bestaat geen professionele attitude. Onderzoek wijst ook uit dat een ruime meerderheid van de journalisten er geen probleem in ziet te schrijven wat hun werkgever hen opdraagt. Wie zich verzet tegen de hoofdredactie is de volgende dag ontslagen.”

“Nog een groot probleem”, aldus Sergejs, “Er is geen visie onder uitgevers. Er is geen professionele strategie voor media-business. Rijke zakenlieden kopen kranten of uitgeverijen als visitekaartje, zonder een flauw idee te hebben wat ze er mee moeten doen. Er zit geen visie achter.”

Corruptieschandaal
Toch bestaat er een levendige pers. De kiosken puilen uit van de verschillende publicaties en de Letten lezen er stevig op los. Kruks noemt het een ‘intellectuele overproductie’. “Nog nooit studeerden er zoveel mensen af aan de universiteiten. Die moeten allemaal iets doen.”

“Volgens veel van mijn Westerse collega’s is een vrije pers de eerste voorwaarde voor een goed functionerende samenleving. Dat is alleen het geval in ‘zelf-evidente’ samenlevingen, waar een corruptieschandaal bijvoorbeeld ook tot een aanklacht leidt. Hier is dat niet zo.”

Op zoek naar Ryszard Kapuściński (I)

Sunday, August 10th, 2008

Tyskie en Kapuściński

Ik ben onderweg naar Polen zonder een duidelijk plan voor ogen. Een luxeprobleem, want interessante media-verhalen uit Polen zijn er genoeg. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop de Poolse pers bericht over de oorlogen in Irak en Afghanistan, of de invloed van het conservatief-katholieke radiostation Maryja.

Maar voor deze reis heb ik ter inspiratie juist een aantal boeken van Ryszard Kapuściński meegenomen, de Poolse journalist-historicus naar wie men vaak refereert als ‘de grootste journalist aller tijden’. Hoe kijkt men naar hem in Polen? En wat is zijn nalatenschap in Warschau?

Kapuściński werd in 1932 geboren in Oost Polen, tegenwoordig Wit-Rusland. Hij werkte jaren als verslaggever in verschillende delen van het land en was nog nooit in het buitenland geweest toen zijn werkgever hem in 1956 naar India stuurde. Later werd hij de enige buitenlandse correspondent van het Poolse nieuwsagentschap PAP en kreeg als verslaggever tot vijftig verschillende landen toegewezen. Biografen citeren graag dat hij later 27 revoluties versloeg, veertig keer gevangen is gezet en tot vier keer is ontsnapt aan de doodstraf. Hij overleed in januari 2007.

Een loopje met de werkelijkheid
Ook kreeg hij kritiek te verwerken. Sommige mensen noemen het journalistieke werk van Kapuściński ‘magisch realisme’. Hij zou hier en daar een loopje met de werkelijkheid genomen hebben. Dat zorgt nog altijd voor een hoop legendes. Zo zou hij van ieder verhaal drie versies geschreven hebben. Een voor de Poolse geheime dienst, een voor de krant en een voor zijn persoonlijke archief. Sterker nog, sommige Polen zijn er van overtuigd dat de magische aspecten in zijn werk eerder een aanklacht zijn tegen het communistische regime. In deel II van dit verhaal ga ik hier verder op in.

In Warschau spreek ik af met Thijs Papôt van de Wereldomroep, die ik tijdens een eerdere opdracht van De Nieuwe Reporter in Minsk eens tegen het lijf liep. Hij vertelt dat Kapuściński vrij onverwacht kwam te overlijden. ‘Ik dacht altijd dat ik hem nog wel eens zou spreken.’

Ik ga op zoek naar zijn huis in Warschau. De meeste huizen in de wijk staan los, al zijn ze ferm omheind. Nergens in de buurt van ‘de grootste journalist aller tijden’ staat een herdenksteentje, wegwijzer of zelfs maar een plakaat. Hoewel, plakaten genoeg, maar dan vooral van beveiligingsbedrijven.

Het is een mooie wijk met veel groen. Toch is mijn wandeltocht niet erg ontspannen. Op de hoek van de straat ligt de Israelische ambassade. Een jonge Poolse soldaat tikt nerveus tegen de haan van het enorme geweer dat hij meedraagt. Wanneer ik voor de derde keer passeer en naar een preciese straat vraag lopen breedgeschouderde mannen met zonnebrillen zenuwachtig heen en weer.

Aan de andere kant van de straat is een klein winkeltje met snuisterijen uit het Midden-Oosten. Van Kapuściński heeft de verkoper nog nooit gehoord. Sterker nog: Polen houden volgens hem niet zo van reizen. Misschien een reden waarom een dergelijke winkel in een buitenwijk van Warschau goede zaken doet.

In een supermarkt tegen over de snuisterijenzaak werkt een jongen die precies weet wie Kapuściński was. ‘Hij deed hier geen boodschappen’, zegt hij. ‘Helaas’, voegt ‘ie er nog aan toe. Wat hij precies van Kapuściński had gelezen en hoe hij over hem dacht kom ik niet te weten, want hij wil juist alles van mij weten. Kennen wij in Nederland Kapuściński en kom ik speciaal naar Polen om daar over te schrijven? Een fenomeen dat keer op keer terugkeert in Warschau. Iedereen, ongeacht leeftijd of beroep, wil het fijne weten van mijn beweegredenen.

Volgens Thijs Papôt zegt dat meer over hoe Polen naar buitenlanders kijken. ‘Polen zijn altijd verbaasd dat je hun taal spreekt, alsof je een geheime code ontcijferd hebt. Maar maak je geen illusies over hoe groot hij in Polen is. Ik verwacht de komende jaren een wildgroei aan Kapuscinskistraten-, -pleien en –plantsoenen.’

In deel II de vertalers, biograaf en enkele kenners over het vermeende ‘magisch realisme’ in het werk van Ryszard Kapuściński.