Geen onafhankelijke journalistiek in het land van intellectuele overproductie

Monday, August 18th, 2008

Riga (#)

De cijfers liegen er niet om. In Letland worden 268 verschillende periodieken gedrukt. Elf landelijke dagelijkse kranten, 26 wekelijkse magazines, 24 wekelijkse kranten, 23 kwartaalbladen, tien maandelijkse kranten, 89 maandelijkse magazines, 59 regionale kranten en nog een aantal ongedefinieerde periodieke publicaties.

Nu komt het indrukwekkende: er wonen iets meer dan 2 miljoen mensen in Letland. Daarvan is slechts een krappe meerderheid van 60 procent ethnisch Lets. Er wonen nog eens 28 procent Russen, en een grootse Wit-Russische en Poolse minderheid. De gezamelijke doelgroep van al die publicaties bedraagt nog geen 700.000 man. 268 publicaties op een markt van 700.000, een indrukwekkend cijfer.

Dat denkt Evalds Gausis ook. Hij werkt bij een grote financià«le dienstverlener en onderzoekt de mediamarkt. Een echte verklaring heeft hij niet. “Letland heeft het hoogste aantal studenten in universitair onderwijs in de EU. Dat zal er wel iets mee te maken hebben”, denkt Evalds. “Je bent jong, creatief en je wilt iets doen. Dan kun je maar beter een eigen magazine uitgeven.”

Clans
Ik heb een afspraak, maar mis net de trolleybus. Ik stop een taxi, en we rijden over de ‘Brivibas-straat’, een van de hoofdaders van de stad. “Dat is nu de vrijheidsstraat”, zegt de taxichauffeur. “Vroeger was het de Leninstraat, toen werd het de Stalinstraat, toen de Hitlerstraat, daarna weer de Leninstraat en nu heet het de vrijheidsstraat”. Hij lacht cynisch. “Binnenkort zal het wel de George Bush-straat worden.”

Ik spreek af met Sergejs Kruks, een van de weinige onafhankelijke journalisten in Letland. Zijn naam verraadt zijn Russische achtergrond. Behalve Russisch spreekt en schrijft hij vloeiend Lets, Engels en nog een aantal andere talen. Hij heeft twee bladen meegenomen. De Russische editie van ‘Newsweek’ en de ‘Vlast’ (macht) bijlage van de gerespecteerde Russische krant Kommersant. “Ik leg mijn studenten altijd uit dat wanneer je een idee wilt hebben wat er in ‘rookgordijn Rusland’ aan de hand is, dan lees je zorgvuldig deze publicaties. Wil je weten wat er in het ““ veel kleinere en minder ingewikkelde ““ Letland aan de hand is? Wat lees je dan? Ik moet je het antwoord schuldig blijven.”

En hij windt er geen doekjes om. “Er bestaat geen onafhankelijke journalistiek in Letland. De situatie hier lijkt meer op de Italiaanse. Verschillende clans hebben controle over de media. Je kunt het conflict het best beschrijven over een breuklijn die loopt tussen de ‘lokale oligarchen’ en de ‘westerse liberalen’, hoewel je beide begrippen met een flinke korrel zout moet nemen.”

Persoonlijke voorbeelden heeft hij genoeg. “Ik werkte een tijd als televisiecriticus bij Diena, de grootste krant van Letland. Ik stak mijn politieke mening niet onder stoelen of banken, soms kom je daar nu eenmaal niet onderuit. Ook in mijn academisch onderzoek schreef ik soms kritisch over Diena. En zo was ik mijn baan als televisierecensent al weer kwijt.”

“Ze zijn een tijdje zelfs gestopt me te bellen voor quotes”, zegt hij. “Tot de hoofdredacteur onlangs veranderde. Nog geen twee weken later wou men weer van me horen. Journalistiek, het is hier pure politieke business.”

Sorosisten en anti-Sorosisten
Sergejs heeft een aantal onderzoeken gedaan die de breuklijn in de pers goed weergeven. “Eigenlijk is het een campagne tussen Sorosisten en anti-Sorosisten”, legt hij uit. “Dat begon in december 2005 toen de krant Neatkariga een sterke toon aansloeg tegen George Soros, een campagne die vrijwel naadloos paste bij de Russische anti-Soros campagne sinds oktober 2005.” De geldstromen van George Soros naar het maatschappelijke middenveld worden gezien als negatieve westerse waarden, of zelfs als Amerikaanse invloed. De toenmalige Russische president Poetin hield George Soros persoonlijk verantwoordelijk voor de anti-Russische revoluties in Georgià« en Oekraà¯ne.

“Sindsdien ben je voor of tegen Soros”, legt Kruks uit. “Diena is pro-, Neatkariga is contra. Je ziet het overal terugkomen. De Sorosisten of liberalen zijn voor een Gay Pride in de stad, de anti-Sorosisten of lokale oligarchen die de meer traditionele waarden in pacht houden, die zijn dus tegen.”

“Een echt debat is er niet. Het geruzie begint een paar dagen voor de pride, en is daarna weer snel afgelopen. In het hele debat heb ik drie redelijke argumenten gezien aan beide kanten. De rest is nonsens. Journalisten gaan niet pro-actief op zoek naar andere argumenten of verhaallijnen. Ze volgen de lijn van de redactie.”

Pedofielenpartij
Volgens Sergejs was een van de weinige zinvolle bijdragen aan dit debat afkomstig van de Nederlandse ambassadeur. “Die moest wel reageren, omdat de anti-Sorosisten de liberale waarden ‘Nederlands’ vonden, en het een en ander in verband brachten met de pedofielenpartij.”

Ook de verhoudingen tussen de Russischtalige en de Letse pers zijn fragiel. “Diena is Lets, maar wilde in de loop naar de toetreding tot de Europese Unie haar anti-Russische toon matigen. Daarom huurde men etnische Russische journalisten in. Zo stond er bijvoorbeeld een keer op 1 september ““ de eerste schooldag ““ een grote foto van een jongetje, laten we hem Vanja Ivanov noemen (een typische Russische voor- en achternaam) en zijn trotse ouders. Ze stuurde hem naar een Letse school omdat ze dachten dat daar meer toekomst in zat.”

Ook de journalistenbond in Letland is het slachtoffer geworden van een politieke strijd. Dat is ‘niet heel erg’, aldus Sergejs. “Journalisten hier hebben geen bond nodig. Ze zijn slechts in dienst van hun werkgever, er bestaat geen professionele attitude. Onderzoek wijst ook uit dat een ruime meerderheid van de journalisten er geen probleem in ziet te schrijven wat hun werkgever hen opdraagt. Wie zich verzet tegen de hoofdredactie is de volgende dag ontslagen.”

“Nog een groot probleem”, aldus Sergejs, “Er is geen visie onder uitgevers. Er is geen professionele strategie voor media-business. Rijke zakenlieden kopen kranten of uitgeverijen als visitekaartje, zonder een flauw idee te hebben wat ze er mee moeten doen. Er zit geen visie achter.”

Corruptieschandaal
Toch bestaat er een levendige pers. De kiosken puilen uit van de verschillende publicaties en de Letten lezen er stevig op los. Kruks noemt het een ‘intellectuele overproductie’. “Nog nooit studeerden er zoveel mensen af aan de universiteiten. Die moeten allemaal iets doen.”

“Volgens veel van mijn Westerse collega’s is een vrije pers de eerste voorwaarde voor een goed functionerende samenleving. Dat is alleen het geval in ‘zelf-evidente’ samenlevingen, waar een corruptieschandaal bijvoorbeeld ook tot een aanklacht leidt. Hier is dat niet zo.”

Op zoek naar Ryszard Kapuściński (I)

Sunday, August 10th, 2008

Tyskie en Kapuściński

Ik ben onderweg naar Polen zonder een duidelijk plan voor ogen. Een luxeprobleem, want interessante media-verhalen uit Polen zijn er genoeg. Denk bijvoorbeeld aan de manier waarop de Poolse pers bericht over de oorlogen in Irak en Afghanistan, of de invloed van het conservatief-katholieke radiostation Maryja.

Maar voor deze reis heb ik ter inspiratie juist een aantal boeken van Ryszard KapuÅ›ciÅ„ski meegenomen, de Poolse journalist-historicus naar wie men vaak refereert als “˜de grootste journalist aller tijden”™. Hoe kijkt men naar hem in Polen? En wat is zijn nalatenschap in Warschau?

Kapuściński werd in 1932 geboren in Oost Polen, tegenwoordig Wit-Rusland. Hij werkte jaren als verslaggever in verschillende delen van het land en was nog nooit in het buitenland geweest toen zijn werkgever hem in 1956 naar India stuurde. Later werd hij de enige buitenlandse correspondent van het Poolse nieuwsagentschap PAP en kreeg als verslaggever tot vijftig verschillende landen toegewezen. Biografen citeren graag dat hij later 27 revoluties versloeg, veertig keer gevangen is gezet en tot vier keer is ontsnapt aan de doodstraf. Hij overleed in januari 2007.

Een loopje met de werkelijkheid
Ook kreeg hij kritiek te verwerken. Sommige mensen noemen het journalistieke werk van KapuÅ›ciÅ„ski “˜magisch realisme”™. Hij zou hier en daar een loopje met de werkelijkheid genomen hebben. Dat zorgt nog altijd voor een hoop legendes. Zo zou hij van ieder verhaal drie versies geschreven hebben. Een voor de Poolse geheime dienst, een voor de krant en een voor zijn persoonlijke archief. Sterker nog, sommige Polen zijn er van overtuigd dat de magische aspecten in zijn werk eerder een aanklacht zijn tegen het communistische regime. In deel II van dit verhaal ga ik hier verder op in.

In Warschau spreek ik af met Thijs Papôt van de Wereldomroep, die ik tijdens een eerdere opdracht van De Nieuwe Reporter in Minsk eens tegen het lijf liep. Hij vertelt dat KapuÅ›ciÅ„ski vrij onverwacht kwam te overlijden. “˜Ik dacht altijd dat ik hem nog wel eens zou spreken.”™

Ik ga op zoek naar zijn huis in Warschau. De meeste huizen in de wijk staan los, al zijn ze ferm omheind. Nergens in de buurt van “˜de grootste journalist aller tijden”™ staat een herdenksteentje, wegwijzer of zelfs maar een plakaat. Hoewel, plakaten genoeg, maar dan vooral van beveiligingsbedrijven.

Het is een mooie wijk met veel groen. Toch is mijn wandeltocht niet erg ontspannen. Op de hoek van de straat ligt de Israelische ambassade. Een jonge Poolse soldaat tikt nerveus tegen de haan van het enorme geweer dat hij meedraagt. Wanneer ik voor de derde keer passeer en naar een preciese straat vraag lopen breedgeschouderde mannen met zonnebrillen zenuwachtig heen en weer.

Aan de andere kant van de straat is een klein winkeltje met snuisterijen uit het Midden-Oosten. Van Kapuściński heeft de verkoper nog nooit gehoord. Sterker nog: Polen houden volgens hem niet zo van reizen. Misschien een reden waarom een dergelijke winkel in een buitenwijk van Warschau goede zaken doet.

In een supermarkt tegen over de snuisterijenzaak werkt een jongen die precies weet wie KapuÅ›ciÅ„ski was. “˜Hij deed hier geen boodschappen”™, zegt hij. “˜Helaas”™, voegt “˜ie er nog aan toe. Wat hij precies van KapuÅ›ciÅ„ski had gelezen en hoe hij over hem dacht kom ik niet te weten, want hij wil juist alles van mij weten. Kennen wij in Nederland KapuÅ›ciÅ„ski en kom ik speciaal naar Polen om daar over te schrijven? Een fenomeen dat keer op keer terugkeert in Warschau. Iedereen, ongeacht leeftijd of beroep, wil het fijne weten van mijn beweegredenen.

Volgens Thijs Papôt zegt dat meer over hoe Polen naar buitenlanders kijken. “˜Polen zijn altijd verbaasd dat je hun taal spreekt, alsof je een geheime code ontcijferd hebt. Maar maak je geen illusies over hoe groot hij in Polen is. Ik verwacht de komende jaren een wildgroei aan Kapuscinskistraten-, -pleien en ““plantsoenen.”™

In deel II de vertalers, biograaf en enkele kenners over het vermeende “˜magisch realisme”™ in het werk van Ryszard KapuÅ›ciÅ„ski.

Joris en de 18e-eeuwse zedenroman

Tuesday, July 22nd, 2008

Twee maanden geleden kwam “˜Het Maakbare Nieuws”™ uit. Een boek als antwoord op de mediastorm die Joris Luyendijk deed opwaaien. De Nieuwe Reporter schoof in een Haags café aan bij Coen van Zwol, één van de buitenlandcorrespondenten die een bijdrage leverde. Over verschillende soorten journalisten, het “˜duh!”™-gevoel en rookgordijnen.

“˜Er zijn twee soorten journalisten”™, denkt van Zwol. “˜Mensen die het als hun roeping zien en hun hele leven aan de journalistiek verbonden blijven, en zij die het tijdelijk oppakken tot ze er op uitgekeken zijn.”™ Van Zwol zelf is duidelijk het eerste type journalist. Hij begon in 1992 bij de stadsredactie van NRC Handelsblad, schreef van 1994 tot 1999 veel over de Balkan en werkte van 2000 tot 2007 als correspondent in Moskou. Inmiddels zit hij alweer een jaar op de Haagse redactie en binnenkort gaat hij bij zijn krant als filmcriticus verder.

“˜Joris Luyendijk is meer dat tweede type journalist. Iemand die de journalistiek als uitdaging ziet en later andere dingen gaat doen. Boeken schrijven, of radio- en televisiemaken bijvoorbeeld. Mijn voorganger in Moskou, Frank Westerman, was ook zo. Of denk aan Geert Mak. Sommige mensen passen nu eenmaal niet in een groepsgeest, of functioneren slecht binnen een redactie.”™

“˜Joris was onervaren toen hij begon, maar niet zo naà¯ef als hij zich voordoet”™, weet van Zwol. “˜Hij is in zijn tijd iets te dicht bij een bomaanslag geweest. Dat komt in zijn boek niet terug. Hij gebruikt het procedé van een achttiende-eeuwse zedenroman. Dorpsmeisje komt in de grote stad, verliest haar onschuld en voor je het weet staat ze in een bordeel.”™

Duh!
Bovendien waren het wat Coen van Zwol betreft veel open deuren, die inzichten van Joris Luyendijk. “˜Allemaal “˜duh!”™-momenten. Natuurlijk is de pers niet neutraal. Natuurlijk speelt men kluitjesvoetbal en natuurlijk ben je als journalist niet slechts waarnemer, maar zelf ook onderdeel van de informatieoorlog. Duh!”™

De macht van de persbureaus bijvoorbeeld “˜Duh! Natuurlijk zijn die sneller en komen die met nieuws dat je als gewone correspondent niet bij kan benen. Maar ze schudden je wel wakker. En gelukkig hoef je als correspondent niet zelf achter alle kleine nieuwsfeitjes aan.”™

“˜Of dat de taal niet neutraal is en de één z”™n terrorist de ander z”™n vrijheidsstrijder is. Nogal wiedes! Zulke dingen zijn met de pen op te lossen”™, weet Van Zwol. “˜Ik noemde de Tsjetsjeen Sjamil Basajev eerst een “˜rebellenleider”™. Na de gijzeling in Nord-Ost en de tragedie in Beslan ben ik hem een terrorist gaan noemen. Hij schepte er nota bene zelf over op. Zulke taalkwesties kun je bovendien met een redactie makkelijk oplossen.”™

Ook het kluitjesvoetbal valt volgens Van Zwol wel te nuanceren. “˜Toen ik voor het eerst in Sarajevo aankwam zat iedereen in het Holiday Inn. En natuurlijk speelt men elkaar verhalen door. “˜Ben je nieuw hier? Je moet daar eens gaan kijken!”™. Maar wat moet je anders? Gewoon in je auto stappen en een paar rondjes maken?”™

Rookgordijn Rusland
Informatie in Rusland is soms net zo onbetrouwbaar, ondoorzichtig en ingewikkeld als in het Midden-Oosten. Overal staan belangen op het spel.

“˜Je kunt weinig met absolute zekerheid zeggen”™, aldus Van Zwol. “˜Denk aan die serie flats die in 1999 werden opgeblazen. Het gaf de directe aanleiding tot de tweede Tsjetsjeense oorlog. Dat kwam het regime wel heel goed uit. In de stad Rjazan was er zo ongeveer een ontmaskering. Flatbewoners zagen twee mannen in een auto met een kenteken uit Moskou allerlei verdachte spullen een kelder inladen. Toen de politie arriveerde bleken het explosieven. Al snel was een terroristische aanslag verijdeld. Het hele land was in rep en roer, maar het bleek dat er iets anders aan de hand was. De getapte telefoongesprekken van de twee mannen liepen rechtstreeks naar het hoofdkwartier van de FSB.”™

“˜Een smoking gun, maar geen keihard bewijs. Als journalist heb je meestal niet meer te bieden dan waarschijnlijkheid. Dat is een kwestie van puzzelen. Denk ook aan de affaire Erkel. Wie zat er achter zijn kidnapping? Waarom? Hoe is hij vrijgekomen? We weten het nog steeds niet. Maar dat betekent nog niet dat je geen journalistiek kunt bedrijven.”™

“˜Joris Luyendijk heeft geen ongelijk, ik kan alleen zijn conclusies niet delen”™, legt Van Zwol uit. “˜Journalisten maken fouten en dus kunnen we er maar beter mee ophouden? Er gaat ook een hoop fout in de gezondheidszorg, maar we sluiten toch ook geen ziekenhuizen?”™

“˜In de eerste plaats zijn er altijd feiten te vinden. Denk bijvoorbeeld aan het schimmige geroddel over de opvolging van president Poetin. Niemand wist het. Maar uiteindelijk zit er toch iemand op de troon, daar kun je niet om heen. In de tweede plaats, het rookgordijn rondom Arjan Erkel zegt veel meer over Rusland dan een eventuele ontknoping.”™

Blog als bijsluiter
Luyendijk geeft in zijn boek een aantal suggesties mee. Een journalist zou bijvoorbeeld tegen het eind van het jaar alle blunders en fouten voor de lezer op een rijtje kunnen zetten. Een ideetje dat oorspronkelijk afkomstig was van Van Zwol. “˜Helaas willen ze daar bij de krant niet aan, maar dat zou toch leuk zijn? Een jaarlijkse afrekening, dat zou je geloofwaardigheid ten goede komen.”™

“˜Beter nog kun je een weblog bijhouden”™, weet van Zwol inmiddels. “˜Daar is ruimte voor het verhaal bij het verhaal, de voetnoten, de moeilijkheden en de fouten.”™

Karskens: ‘Halve journalistiek bestaat niet’

Wednesday, March 26th, 2008

Op “˜De Nieuwe Reporter”™ werd onlangs geschreven dat de Nederlandse berichtgeving uit Afghanistan ver onder de maat is. Journalisten censureren zichzelf, laten Afghanen nauwelijks aan het woord en leveren ““ op z”™n best ““ half werk. Arnold Karskens weet het beter: “œHalve journalistiek bestaat niet”.

“œHet is een principià«le keuze. Of je buigt voor de censuur, of je doet dat niet. Je kunt ook niet “˜half-zwanger”™ zijn. Je moet daar tegengas aan geven. Helemaal in een tijd waarin in Nederland de vrijheid van meningsuiting toch al onder druk staat. Door genoegen te nemen met “˜embedded”™-berichtgeving graaft de journalistiek haar eigen graf. Wanneer je dat tegengas niet geeft, verlies je terrein. Dat zie je zelfs bij popconcerten, waar fotografen soms maar een paar nummers mogen meekijken. Persvrijheid is een groot goed, één van de pijlers van de democratie.”

Arnold Karskens (1954) windt er geen doekjes om. “œAfghanistan is de belangrijkste Nederlandse oorlog sinds Korea. Het is verbazingwekkend dat de Nederlandse journalistiek onder druk van Defensie buigt. Ik heb een Australische journalist gesproken die ook mee was met het Nederlandse leger in Uruzgan. Defensie vroeg hem ook zijn stukken voor te leggen, dat weigerde hij. Toch reisde hij mee en toch is het gepubliceerd.”

Halve journalistiek
Met een strijdende groepering meereizen is volgens Karskens niet zozeer het probleem. “œHet gaat om de censuur. Wanneer je “˜embedded”™ reist, dan zie je misschien de helft van wat je zou kunnen zien. Dat zou je halve journalistiek kunnen noemen. Wanneer defensie dan nog eens met het rode potlood door je stuk heengaat, dan hou je misschien nog een kwart over. Er zijn zoveel factoren die je werk onmogelijk maken in een oorlogsgebied, van de taal tot de onherbergzaamheid. Censuur is de nekslag.”

“œHet gaat erom je intellectuele vrijheid te behouden”, stelt Karskens. “œWie “˜embedded”™ meegaat krijgt te maken met de rode streep. Je ziet hem misschien niet, maar hij is er toch. Ze betalen je vliegtickets, je eten, je veiligheid en je vervoer. Als goed journalist hou je het niet vol binnen de muren van “˜Kamp Holland”™, dan heb je de verkeerde instelling.”

Geen amateur-voetbal
Het punt is volgens Karskens dat er een consensus heerst in de Nederlandse journalistiek over de gang van zaken. “œIedereen doet het. Wanneer RTL bijvoorbeeld “˜embedded”™ reportages zou leveren en de NOS “˜unembedded”™, dan zou er een discussie ontstaan. Die is nu nagenoeg afwezig. Er is geen discussie binnen de Nederlandse Vereniging van Journalisten en niet binnen het Genootschap van Hoofdredacteuren. Sterker nog, er is zelfs geen discussie in de Tweede Kamer over de werkwijze van Defensie.”

“œDat verbaast me”, legt Karskens uit. “œOmdat het hier niet om amateur-voetbal gaat, maar om mensenlevens. De politiek komt zelf ook niet buiten de poorten van Kamp Holland, die zijn dus afhankelijk van de pers.”

“œIedereen doet aan dit spel mee. De Volkskrant, NRC, Trouw, de NOS. Vrij Nederland laat zich zelfs betalen voor een bijlage over Afghanistan. Alsof je een blad vol reclame voor Unilever hebt en er nog eens een interview met de CEO van Unilever bijzet. Iedereen doet het en juist die consensus is funest.”

Schoonmakers en keukenhulpen
De grote vraag is: waarom? Karskens: “œIk begrijp Defensie goed. Het is niet alleen prettig om schrijvende lakeien mee te nemen, het is ook nog eens uitgekiende PR. Bovendien hoeft op deze manier de minister van Defensie niet iedere keer naar de Kamer te rennen om uitleg te geven.”

Ook de gemakzucht van redacties speelt een rol. “œAlles is gratis. Wanneer je met Defensie meegaat heb je niet eens een visum nodig om naar Uruzgan te gaan.” Argumenten als “˜bezuinigingen op redacties”™ wimpelt Karskens af. “œEr is wel geld, het wordt alleen niet vrijgemaakt.”

“œHet argument van Defensie, namelijk dat operationele geheimen openbaar kunnen worden, is onjuist. In de eerste plaats lopen er op Kamp Holland genoeg spionnen van de Taliban in de vorm van schoonmakers en keukenhulpen en in de tweede plaats omdat journalisten die geheimen niet horen te weten. Je laat een journalist niet toe in de stafkamer.”

De methode Karskens
“œAfghanistan is geen Drente”, legt Karskens uit. Hij is sinds de Nederlandse aanwezigheid in Uruzgan al vijf keer “˜unembedded”™ in Afghanistan geweest. “œJe vliegt er zomaar naartoe vanuit Dubai en dan is het “˜liften”™ naar Uruzgan. We rijden in konvooien, soms met meer dan honderd man.”

Eenmaal in Tarin-Kowt werkt Karskens simpelweg met een notitieblok. “œIk was daar de eerste Westerse journalist, lang geleden, en de Afghanen herkennen mij inmiddels. Ik kan daar bij wijze van spreken niet een kruispunt oversteken zonder een bekende tegen te komen. Zodoende heb je altijd mensen om je heen. Natuurlijk kun je niet zomaar een dorpje binnenstappen, je hebt een netwerk. Altijd eerst het dorpshoofd proberen te spreken. Het klinkt simpel, maar praten met lokale mensen heeft de meeste journalistieke waarde.”

De lokale bewoners staan lang niet altijd positief tegenover de Nederlandse aanwezigheid. “œVooral niet in een dorp waar tachtig doden zijn gevallen bij Nederlandse bombardementen.”

Karskens is wel eens in Kamp Holland geweest. “œDat was een uitzondering. Eerder kreeg de bewaking de instructie dat ik alleen het terrein op mocht komen “˜als ze m”™n poot d”™r af geschoten hadden”™.”

“œOorlog is duur”
Afghanistan is geen plaats voor freelancers. “œTe duur. Wanneer er honderd journalisten zijn en tien jeeps, dan is het een kwestie van betalen. Oorlog is duur, niet alleen in Afghanistan, maar bijvoorbeeld ook in Congo. Ik ben in het begin van mijn carrière daarom maar naar El Salvador gegaan, dat was nog betaalbaar.”

Voor zijn beeldreportages werkt Karskens als “˜camjo”™, dus zonder cameraman of geluidstechnicus. “œJe hebt alles zelf in de hand en je bent overal verantwoordelijk voor. Bovendien is het sinds de digitale camera simpeler geworden.”

Vanaf 1 april gaat Karskens aan de slag bij De Pers. “œIk heb een goed budget gekregen voor oorlogsverslaggeving. We gaan ons daar sterk op profileren.” Daarmee komt zijn werk voor Nieuwe Revu ten einde. “œMaar ik blijf wel soms nog beeldreportages doen, bijvoorbeeld voor EenVandaag, daar is nog ruimte voor “˜unembedded”™ journalistiek.”

Voorbeeldfunctie
Karskens ziet het draagvlak in Nederland voor de Uruzgan-missie steeds kleiner worden. “œIk denk dat uit deze “˜embedded”™ -vorm van journalistiek een “˜Vietnam-beweging”™ voorkomt.” Toch hoopt hij op verandering. “œHet moet wel, ik hoop dat ik een voorbeeldfunctie heb, of dat er tenminste nog iets als “˜gezonde competitie”™ heerst. Journalisten die denken: “˜Als Karsens het kan, kan ik het ook!”™ In ieder geval gaat het er om dat de journalist de kijker, of de lezer, recht in de ogen kan kijken. Een “˜embedded”™-journalist bij het Nederlandse leger kan dat niet.”

“œEen slecht geà¯nformeerde pers kost onnodige levens, dat leer je uit de geschiedenis van de oorlogsverslaggeving. Dat was in Nederlands-Indià« zo en misschien is dat ook wel het geval in Uruzgan. Wederopbouw is bedrog. Nederland verwoest daar meer dan dat we opbouwen en we maken steeds meer burgerslachtoffers.”

“We hadden de hele tijd het gevoel dat Karadzic in dat dorp gewoon ergens op de plee zat.”

Saturday, December 22nd, 2007

Harald Doornbos en Richard Gere In september kwam in de V.S. de film ‘The Hunting Party’ uit, een actie/avonturen”“thriller over drie journalisten die in Bosnià« op zoek gaan naar naar ‘The Fox’, de meest gezochte oorlogsmisdadiger. Wat begint met een impulsieve opdracht word al snel een avontuur waarin de lokale bevolking, en de autoriteiten denken dat ze niet met journalisten, maar met de CIA van doen hebben. Aan de basis van dit verhaal ligt het relaas van Harald Doornbos. De Nieuwe Reporter zocht hem op in Beiroet. (deel I, deel II)

Voor: De Nieuwe Reporter
December 2007 (link)

De toekomst van het Wit-Russische internet

Friday, August 31st, 2007

lu_tube.jpg Een paar weken geleden liet de Wit Russische president Lukashenko weten “de anarchie op internet een halt toe te roepen”. Internet is namelijk een broedplaats voor de oppositie, en daar heeft Aleksendr het niet zo op. Hoe het er in Wit-Rusland precies aan toe gaat kunt u hier lezen Een collectief onder de naam ‘derde weg’, heeft als verjaardagscadeau verjaardagscadeau voor de dictator een ’schone’ versie van het internet aangeboden. LuTube, LuJournal en Lundex. (via)

Verslag uit een internet-blackhole

Friday, July 27th, 2007

Erik HochheimerEen fletse ansichtkaart uit de Sovjet-Unie van de jaren “™70 – dat is de eerste indruk wanneer je aankomt in Minsk, de hoofdstad van Wit-Rusland. We schrijven echter 2007, de Muur is gevallen en Wit-Rusland grenst inmiddels aan de Europese Unie.

Sinds zijn onafhankelijkheid in 1991 staat het land onder de controle van Aleksandr Lukashenko, de president die zichzelf aan de macht weet te houden door keer op keer met verkiezingen en referenda te frauderen. Wit-Rusland kan met recht de “˜laatste dictatuur van Europa”™ genoemd worden, en is volgens “˜Reporters Without Borders”™ een internet-blackhole.

In Minsk zijn de straten leeg. Beangstigend leeg. Blauwe trolleybusen, ook leeg, rijden in een traag tempo door het straatbeeld. Sommige supermarkten zijn opgedeeld in zones; eentje met “˜Buitenlandse Produkten”™ ““ waar je Russische worst, Poolse yoghurt en Nederlands bier kunt vinden, en een met “˜Nationale Produkten”™, melk, bloem, eieren, groenten. De “˜buitenlandse”™ produkten zijn duurder, de binnenlandse spotgoedkoop en simpel. Op het pak melk staat louter “˜melk”™, de suiker heeft alleen het opschrift: “˜suiker, wit”™. (lees verder bij De Nieuwe Reporter)

gay.ru from Minsk

Thursday, July 12th, 2007

gay-ru-in-minsk-fragment.jpg

Article 22. Information of denied provision and (or) distribution

It shall be forbidden to spread and distribute information that:

is directed towards a violent change of a constitutional system, propaganda of war,raising racial, national or religious hostility or discord towards humiliation of national honor and dignity;

infringes upon morals, dignity, honor and business reputation of citizens, business reputation of legal entities;

other information, provision and (or) distribution of which is prohibited according to legislative acts of the Republic of Belarus.

from: Mikhail Doroshevich * e-belarus.org