Het gemis van een verloren jeugdliefde

De Georgische schrijver Nicholas Tchkotoua ontvluchtte op jonge leeftijd zijn bergachtige vaderland. Hij schreef slechts één roman, een ultieme liefdesverklaring aan Georgië, maar vooral aan Taya, zijn Russische jeugdliefde. Het boek bleef lange tijd onopgemerkt, tot een Britse uitgever het een paar jaar geleden redigeerde en opnieuw in omloop bracht.

[pictobrowser 28220020@N02 72157624722504699]
Foto’s: Molly Corso

Op de begraafplaats van de Sint Panteleimonkerk in een oud stadsdeel van de Georgische hoofdstad Tbilisi ligt een familiegraf waar de jongste zerk losjes tegen een muur staat. Een voorbijganger wierp er nonchalant een leeg pakje lucifers naast. De reden dat de zerk niet volledig is ingemetselt is simpel, Prins Nicholas Tchkotoua werd in 1984 begraven in Lausanne, alleen zijn hart werd op verzoek apart later door familieleden ‘bijgezet’ bij het familiegraf in wat toen nog de Sovjet-Unie was. Tchkotoua schreef in zijn leven slechts één roman, die bovendien ook nog eens grotendeels onopgemerkt bleef. Maar sinds de Britse reisauteur en uitgever Peter Nasmyth kwam het boek een aantal jaar geleden in een Londens antiquariaat tegenkwam en het opnieuw uitgaf is de aandacht hernieuwd. In de Nederlandse boekhandels is maar weinig Georgische literatuur te vinden, meestal zijn het de vertaalde epen van de vereerde 12e eeuwse dichter Sjota Roestaveli. Met de Nederlandse vertaling krijgen we eindelijk een inkijkje in een rijke literaire traditie.

De hoofdpersoon, die niet geheel toevallig ook Sjota heet, herinnert zich Georgie als een paradijs. Al op de eerste bladzijden schrijft hij over het land van ‘brede groene valleien, bedekt met wijngaarden, parkachtige weiden, boomgaarden, theeplantages en subtropsiche bossen, doorsneden door rivieren die door gesmolten sneeuw worden gevoed’. Scenes die de auteur kent als ‘uit een heroisch tijdperk toen dit land zoch als een christelijk bolwerk tegen de moslimvijand opstelde’. Het zijn de herinneringen van een balling, na de inval van de Bolsjewieken verkoos Tchkotoua, net als vele duizenden vluchtelingen, Parijs boven de Sovjet-Unie. Twaalf jaar na zijn uittrocht keer hij terug, op bezoek bij zijn grootvader waar hij op een tuinfeest de Russische prinses Taya Rurikova leert kennen, de ‘buitenlandse landgenote’ die eveneens in Parijs woont. De passages over de wederzijdse heftige liefde die met een knal inslaat zijn prachtig om te lezen, hoewel ze soms kinderlijk overkomen. De liefde maakt van de jonge hoofdpersoon plots een man. En wanneer ziekte, misverstand en de onoverbrugbare afstand tussen een Georgisch paleis en een appartementje in Parijs gaat Sjota er bijna aan onderdoor. De roman doet sterk denken aan ‘Ali en Nino’ van Kurban Said, het pseudoniem van de Joods-Azerbeizjaanse schrijver Lev Nussimbuam. Geen wonder, legt Peter Nasmyth in het voorwoord uit. Beide auteurs zijn in hetzelfde jaar geboren, vluchten in hetzelfde jaar naar Frankrijk, trouwen beide een Amerikaanse erfgename en in beide werken figureert de liefde voor het vaderland zo sterk als de liefde voor de Georgische vrouw.

Terug in Frankrijk krijgt het verhaal een tragische wending. De jonge Taya moet voor het voorbestemde huwelijk tussen de twee eeuwige geliefden een internaat afronden. Een boze moeder verzuurt het prille geluk en er volgt een delirium waarin Sjota vecht met alcohol en de geesten van de liefde die misschien toch niet eeuwig is. Hoe dat afloopt kunnen we alleen maar afleiden aan de biografie van de schrijver, die uiteindelijk in Amerika met de dochter van een automagnaat trouwt en nog een bewogen leven tegemoed zag. Hoewel er bijna een eeuw voorbij ging is er weinig veranderd in Georgië. De mooie ogen van de jonge vrouwen, de vergeten kastelen in de afgelegen wijngaarden en de ruimhartigheid van de bevolking, het is allemaal nog in levende lijve te aanschouwen. De tuinfeesten zijn nachtclubs geworden en de paarden draven op hoge snelheden door Tbilisi als geimporteerde Mercedessen. Georgiërs trouwen nog altijd op jonge leeftijd, al was het maar om nooit het gemis van een verloren jeugdliefde te kennen.

Nicholas Tchkotoua: Oneindig – een liefdesgeschidenis uit de Kaukasus’. Prometheus, 232 bladzijden.